[verdachte]: "Als dat Spaanse bedrijf de importer levert dan gaat het naar de exporter toe en de exporter verkoopt die stock toch. Aan wie verkoopt hij die stock? Hij verkoopt die stock aan [betrokkene 5]. Nou [betrokkene 5] moet hem betalen." [medeverdachte]: "Precies, die ontvangt toch zijn geld terug van [P]?" [verdachte]: "Precies, maar omdat hij het de eerste keer voorfinanciert (...)." [medeverdachte]: "Hoe lang is dat geld weg dan? Het is toch een transactie op een uur?" [verdachte]: "Ja, het is een uur weg."
[verdachte] is tijdens zijn verhoren met hiervoor aangehaalde gesprekken geconfronteerd. Hij heeft verklaard dat hij vooraf wist dat er sprake zou zijn van carrouselfraude bij de aankoop van CPU's via de lijn [O], [P] en [S]. Hij wist dat er een fraude werd opgezet van dagelijks tussen 5 en 10 dozen CPU's, die zouden rondgaan. CPU's worden over het algemeen verhandeld in dozen waarbij elke doos een uniek serienummer heeft. De prijzen en dus ook de winst van deze transacties waren tevoren vastgesteld. Uiteindelijk, aldus [verdachte], zijn er maar eenmaal dozen verkocht omdat [P] dezelfde dozen terugkreeg van [O]. Op die manier zou het volgens een vertegenwoordiger van [P] wel erg zichtbaar zijn dat carrousel fraude werd gepleegd.
[verdachte] is op 29 januari 2007 op deze verklaring teruggekomen. Hij heeft toen, en ook op de zitting van 6 maart 2008, onder meer verklaard dat hij nergens van op de hoogte was en dat er geen sprake was van carrouselfraude omdat er maar één transactie is geweest. Voor carrouselfraude is volgens [verdachte] noodzakelijk dat goederen met hetzelfde serienummer meerdere malen rondgaan. Het hof zal hierna op deze punten terugkomen.
Zowel [medeverdachte] als [verdachte] heeft verklaard dat de documenten genoemd in de tenlastelegging betrekking hebben op de transactie die besproken wordt in de getapte telefoongesprekken van 15 mei 2006 tot en met 19 mei 2006. Uit die telefoongesprekken volgt naar het oordeel van het hof dat het de bedoeling was dat vijf dozen CPU's verkocht werden door [P] en uiteindelijk, diezelfde dag, weer door [P] teruggekocht werden. De dozen zijn in de loop van deze transactie gekocht en verkocht door bedrijven in Spanje ([S]), het Verenigd Koninkrijk (No.1 [N] Ltd.) en Denemarken ([O]). Dit alles gebeurde op één dag. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de goederen zijn begonnen bij [P] in België. Ze waren gekocht door [S], waar [verdachte] toen werkte, en verkocht aan een importeur in het Verenigd Koninkrijk. Die laatste wilde volgens [verdachte] de goederen kwijt en [verdachte] heeft, op zijn verzoek, bemiddeld bij de verkoop aan [O]. [verdachte] ontkent iets te weten van een transactie tussen [O] en [P]. Deze verklaring van [verdachte] valt niet te rijmen met de getapte gesprekken. In het gesprek van 15 mei 2006 zegt [medeverdachte]: "Hij koopt van Engeland en verkoopt aan België ". [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de enige die hij kende [O] was en dat hij alleen vragen gesteld heeft namens [O]. Het hof concludeert daaruit dat [medeverdachte] in het getapte gesprek met "hij" op [betrokkene 2], de vertegenwoordiger van [O], gedoeld moet hebben. Voorts blijkt uit het getapte gesprek van 16 mei 2006 dat [betrokkene 5] (ook een vertegenwoordiger van [O]) moet betalen aan de exporteur, maar zijn geld terug ontvangt van [P]. Het hof concludeert derhalve dat als onderdeel van deze transactie goederen door [O] aan [P] verkocht zijn. Of dat nu de eerste of de laatste transactie in de reeks was, doet niet terzake. Uit deze constatering volgt immers dat de CPU's een volle ronde hebben gemaakt. Na de transacties waren zij weer in handen van de eerste verkoper ([O] of [P]).
[verdachte] heeft op 27 januari 2007 verklaard dat [P] exact dezelfde dozen terugkreeg als ze eerder had verkocht. Dat was niet de bedoeling. Dit was de reden dat het bij een eenmalige transactie is gebleven. [verdachte] heeft zijn verklaring later ingetrokken, maar het hof gaat wel uit van de juistheid van deze verklaring. Deze verklaring past namelijk, anders dan zijn latere verklaringen, exact op de getapte gesprekken. Ook sluit de verklaring van [verdachte] van 27 januari 2007 aan op zijn eerdere verklaring van 26 januari 2007. [verdachte] verklaarde toen ook dat het de bedoeling was dat dagelijks 10 dozen verkocht zouden worden en dat dit niet doorging omdat [O] dezelfde goederen andermaal wilde verkopen aan [P]. Dat wilden zowel [P] als [S] niet. De rechtbank begrijpt dat ergens in de keten de dozen CPU's hadden moeten worden vervangen door andere dozen (dozen met andere identificatie nummers) met daarin exact dezelfde types en aantallen CPU's. Dit blijkt ook uit een getapt telefoongesprek van 16 mei 2006 waarin [verdachte] tegen [medeverdachte] zegt: "Wat belangrijk is, dat ook bij [P], als die vijf boxen levert dan moet ie... vijf andere boxen terug geven dat is ...logisch hé. Niet dezelfde, dat snap je natuurlijk wel."
Uit de getapte telefoongesprekken en de verklaringen van [verdachte], blijkt dat het niet de bedoeling was dat het bij deze transactie zou blijven. Zo belt [verdachte] met [medeverdachte] op 17 mei 2006 en stelt: "Morgen 5 en dan vanaf vrijdag elke dag 10". Het was dus de bedoeling dat dagelijks tussen de 5 en 10 dozen CPU's door deze partijen aan elkaar verkocht en geleverd zouden worden. Uit de getapte telefoongesprekken is duidelijk geworden dat het de bedoeling was dat de partij die begon met het overboeken van geld (zogenaamd om zijn inkoop te betalen), op zeer korte termijn (een uur tot enkele uren later) zijn geld weer terug zou hebben. Het geld zou op dat moment een ronde langs de bankrekeningen van alle betrokken kopers en verkopers hebben gemaakt. Alle betrokkenen hielden rekeningen aan bij een wisselkantoor (in de taps is gesproken over Voltrex) dat in staat was om zeer snel betalingen van de ene naar de andere rekening over te maken. Het heeft er alle schijn van dat de goederen daadwerkelijk zijn getransporteerd en opgeslagen. Voordat de goederen aan hun ronde langs de betrokken bedrijven begonnen stond al vast wat de prijs was die ieder van de betrokkenen zou betalen en zou ontvangen. Het hof wijst in dat verband op het getapte gesprek van 17 mei 2006 waarin [verdachte] tegen [medeverdachte] zegt: "Het is allemaal rond, alles, prijzen alles ", alsmede, op de gesprekken van 16 mei 2006 waarin gesproken wordt over het bedrag dat de betrokkenen naar aanleiding van de transactie zouden ontvangen. Deze transactie roept veel vraagtekens op. Wat is het zakelijk belang van deze transactie? Waarom maakt een bedrijf kosten (transport, opslag, inspectie en betaling alsmede administratieve kosten) om goederen op deze manier te kopen en verkopen? [medeverdachte] heeft, onder meer, verklaard dat het hier gaat om daghandel. Deze handel zou bestaan bij gratie van de steeds wisselende prijzen van CPU's. Die steeds wisselende prijzen maken volgens verdachte ook dat het hier gaat om snelle transacties. De goederen kunnen dus meerdere malen per dag van eigenaar wisselen. Deze verklaring gaat hier niet op. Bij deze transactie stonden de prijzen die iedere schakel zou ontvangen en betalen immers al tevoren vast. Wat is de reden voor de betrokken bedrijven om deze goederen door Europa te sturen, hoe is het mogelijk dat op deze manier resultaat wordt behaald? Het hof komt tot de conclusie dat deze transactie nadrukkelijk om uitleg vraagt. Die uitleg is niet gekomen.
Met betrekking tot het resultaat van deze transactie wijst het hof er op dat deze transactie voor de betrokkenen winstgevend was. Uit de getapte gesprekken komt ten aanzien van de opbrengst het volgende naar voren:
[betrokkene 2]: "Ik wil mijn 1, 75 hebben en wat jij daar bovenop kunt krijgen, dat is voor jou. 1,75 is wat ik normaal gesproken krijg alleen voor het laten lopen van het geld."
[medeverdachte]: "Ik heb die andere vent gevraagd om akkoord te gaan met twee, waarvan een half voor ons en anderhalf voor hem."
[medeverdachte]: "En hoeveel marge zit ertussen?" [verdachte]: "Zes procent"(...) [medeverdachte]: "Hoeveel gaat [P] dan erop pakken?" [verdachte]: "Die pakt het minst...die pakt gewoon een pond." ... "Wij pakken een pond".
Hoe het mogelijk is dat bij een transactie als de onderhavige dergelijke marges worden gerealiseerd, is een vraag die onbeantwoord is gebleven.
Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat een transactie zoals hiervoor beschreven maar één doel kan dienen: BTW-fraude. [medeverdachte] heeft aangegeven dat voordat van BTW-fraude gesproken kan worden eerst duidelijk moet zijn dat een van de betrokken partijen heeft verzuimd BTW af te dragen. Verdachte heeft gesteld dat - zakelijk weergegeven - aangezien niet kan worden vastgesteld dat er geen BTW is afgedragen, niet geconcludeerd kan worden dat er BTW-fraude is gepleegd. Dat is niet de vraag die voorligt. Het hof dient te beoordelen of de genoemde documenten valselijk zijn opgemaakt, of deze documenten zijn opgemaakt ten einde BTW-fraude mogelijk te maken. Of die BTW-fraude daadwerkelijk is gepleegd hoeft derhalve niet te worden vastgesteld.
Met de rechtbank komt het hof op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen tot de conclusie dat de in de tenlastelegging genoemde documenten valselijk zijn opgemaakt. De documenten zijn niet opgemaakt met het oogmerk om een koop- en verkoopovereenkomst vast te leggen omdat tussen de betrokken partijen niet de wilsovereenstemming bestond om een rechtsgeldige koop- en verkoopovereenkomst aan te gaan. Het gaat hier om schijntransacties met als doel het mogelijk maken van BTW-fraude.
De volgende vraag die voorligt is of verdachte een zodanige rol bij het opmaken en hanteren van de in de tenlastelegging genoemde documenten heeft gespeeld, dat geconcludeerd kan worden dat hij medepleger is van de valsheid in geschrifte.
Verdachte heeft gesteld dat zijn enige rol in deze transactie is geweest dat hij aan medeverdachte [medeverdachte] heeft gevraagd of [O] een paar dozen CPU’s wilde kopen. Hij vroeg dit, zo stelt verdachte, op verzoek van Ike. Het hof acht dit ongeloofwaardig. In mei 2006 werkte verdachte bij [S]. Hij hield zich hier in het bijzonder bezig met de contacten met [P]. Deze beide vennootschappen komen in de onderhavige transactie voor. Het hof acht de stelling van verdachte dat hij enkel een contact heeft gelegd volstrekt ongeloofwaardig omdat die stelling niet te rijmen valt met de getapte telefoongesprekken. Uit die gesprekken blijkt dat verdachte intensief betrokken is bij de opzet van de hele reeks aan transacties. Het hof wijst met name op het gesprek van 16 mei 2006 waarin verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] uitlegt hoe de geldstroom van de transactie loopt, het gesprek van 17 mei 2006 waarin verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] vertelt dat [betrokkene 5] (een vertegenwoordiger van [O]) zeer intensief contact heeft met de Belgen, maar ook met hem en de exporter, en de gesprekken van 18 en 19 mei 2006, wanneer de transactie lijkt te stokken.
Verdachte heeft gesteld dat als hij een significante rol had gespeeld in deze transactie hij wel meer gesprekken met meer partijen zou hebben gevoerd. Het hof is van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat hij meer gesprekken heeft gevoerd. Alleen het Nederlandse mobiele telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] is in de periode van 15 tot en met 19 mei 2006 getapt. De telefoon van verdachte is dus niet getapt zodat geen zicht bestaat op de gesprekken die door hem gevoerd zijn. Daarbij komt dat in de getapte gesprekken van de telefoon van zijn broer wordt verwezen naar telefoongesprekken die niet in die taps van zijn broer terugkomen. Dat wijst er op dat zijn broer in de periode 15 tot en met 19 mei 2006 ook andere telefoonnummers gebruikte. Het hof verwijst bijvoorbeeld naar een gesprek van 15 mei 2006 waarin verdachte's broer stelt dat hij net C. aan de lijn had. Dat gesprek komt in de taps niet terug. Voorts blijkt uit de getapte gesprekken dat verdachte andere voor deze transactie relevante gesprekken heeft gevoerd. Het hof verwijst bijvoorbeeld naar het getapte gesprek van 19 mei 2006 waaruit blijkt dat verdachte een gesprek heeft gehad met [betrokkene 5]. Bovenal geldt echter dat de rol van verdachte zoals die oprijst uit de hiervoor genoemde getapte gesprekken, ook zonder dat van enig contact met de overige betrokken partijen sprake was, ruimschoots voldoende is om te concluderen dat verdachte zich intensief heeft beziggehouden met zowel het opzetten als de uitvoering van de transactie. Duidelijk is dat het de bedoeling was dat verdachte beloond zou worden voor zijn rol in de transactie. In de getapte telefoongesprekken is verschillende malen gesproken over de marge die met de transactie gerealiseerd zou worden en over de verdeling van die marge. Uit dit alles volgt dat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat hij, met in ieder geval medeverdachte [medeverdachte], [betrokkene 2], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zich bezig hield met het opzetten en de uitvoering van de transactie. Daarmee is gegeven dat verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, verantwoordelijk gehouden kan worden voor het valselijk opmaken van de in de tenlastelegging genoemde documenten.
Ten aanzien van feit 2 van parketnummer 16-994002-07
Het hof acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof grondt zijn oordeel dat verdachte dit feit heeft begaan op de navolgende bewijsmiddelen.
Allereerst heeft het hof acht geslagen op de verklaring van [betrokkene 20]. Hij heeft aangegeven dat verdachte hem in november 2006 heeft gebeld met het verzoek salarisstroken op te maken. De salarisstroken zouden werkzaamheden bij [NN] betreffen voor de periode maart 2006 tot en met december 2006. Verdachte heeft hem vervolgens faxberichten met de benodigde gegevens toegestuurd. [betrokkene 20] kan zich niet herinneren of hij de eigenaar van [NN] hierover heeft gesproken en hij weet ook niet of verdachte gemachtigd was om namens het bedrijf op te treden. Het is in ieder geval niet de normale gang van zaken om enkel en alleen op aangeven van iemand die zegt een werknemer te zijn de loonstroken te vervaardigen, aldus [betrokkene 20]. De loonstroken, alsmede een melding loonheffingen, heeft hij vervolgens wel vervaardigd.
Dat verdachte voornoemd verzoek aan [betrokkene 20] heeft gericht, volgt voorts uit de brief d.d. 5 december 2006, die als bijlage in het dossier is gevoegd.
Het voorgaande vindt bovendien bevestiging in de tap van een telefoongesprek tussen verdachte en [betrokkene 20], d.d. 7 december 2006.
Hierin zegt [betrokkene 20] onder meer:
Ik kan ze morgen maken. Daar gaat het niet om, alleen zit er wel een probleem.. dat ik even moet weten wat voor activiteiten het bedrijf ..neemt.
Verderop in het gesprek zegt hij:
Ik hoop ook niet dat ze veel problemen gaan geven met ...dat je 15 maart in dienst bent en dat we het nu pas melden.
[betrokkene 21] heeft verklaard dat verdachte tot november 2006 eigenlijk niets heeft gedaan voor [NN]. Nadien heeft hij voor het eerst contacten gelegd voor zijn bedrijf. Het uitbetalen op commissiebasis kon niet volgens verdachte, aangezien hij failliet was verklaard. Daarom is pas zo laat besloten de loonstroken op te laten maken, aldus [betrokkene 21].
De raadsman van verdachte heeft als verweer gevoerd dat verdachte wel degelijk werkzaamheden voor [NN] heeft verricht in de periode april tot en met juni 2006. Het salaris zou echter pas worden uitbetaald, als er geld binnen was gekomen.
Het hof verwerpt voornoemd verweer, gelet op de verklaring van [betrokkene 21] dat verdachte tot november 2006 eigenlijk niets voor zijn bedrijf heeft gedaan. Bovendien is het hof van oordeel dat de stelling dat verdachte in de periode vóór november 2006 werkzaamheden zou hebben verricht, niet aannemelijk is geworden.
Overige feiten
Het hof acht anders dan de rechtbank ook de feiten 1 en 2 van parketnummer 16-993 110-05 en feit 5 van parketnummer 16-994002-07 bewezen. Het hof overweegt hieromtrent in het bijzonder als volgt.
Ten aanzien van feit 1 van parketnummer 16-993110-05
Aan verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij schijntransacties heeft opgezet door het maken van valse facturen, terwijl er geen sprake was van een koopovereenkomst, noch van een intentie tot levering van goederen. Het enige doel van de facturen zou zijn het plegen van BTW-fraude. Het fiscale nadeel zou hierbij zijn gelegen in het Verenigd Koninkrijk.
De BTW-fraude waar het in deze zaak om gaat wordt ook wel aangeduid als BTW-carrouselfraude. Het gaat bij deze vorm van BTW-fraude om een opzet waarbij verschillende vennootschappen in verschillende landen betrokken zijn. Er vindt een aankoop van goederen (veelal hoogwaardige technologische producten zoals mobiele telefoons of Computer Processing Units (hierna: CPU's)) plaats vanuit een andere EUlidstaat. Het gaat daarbij om een aankoop tegen het intracommunautaire 0% tarief voor de BTW. De goederen worden vervolgens aan een binnenlandse partij verkocht waarbij BTW in rekening wordt gebracht. De importeur is gehouden de aldus ontvangen BTW af te dragen, maar blijft daarmee in gebreke. De importeur wordt ook wel aangeduid als de ploffer. De koper van de goederen verkoopt de goederen vervolgens en kan de BTW verrekenen of terugvragen. De goederen worden vervolgens veelal geëxporteerd, soms naar een land buiten de EU, zodanig dat de verkoper geen BTW in rekening hoeft te brengen. Om de winst te vergroten kunnen dezelfde goederen meermalen een ronde maken. Vaak worden verschillende tussenschakels in verschillende landen gebruikt om zo de kans op ontdekking te verkleinen. Deze tussenschakels worden ook wel aangeduid als buffers. De winst, dat wil zeggen de niet afgedragen, maar wel teruggevorderde, BTW, wordt over de schakels verdeeld.
In het dossier van deze zaak bevinden zich stukken met betrekking tot transacties in met name CPU's. Hierbij zijn betrokken de bedrijven [B] BV (hierna te noemen: [B]), [F] BV (hierna te noemen: [F]), [J] BV (hierna te noemen: [J]) en [M] BV (hierna te noemen: [M]).
De CPU's zijn veelal ingekocht van buitenlandse leveranciers en worden aan een buitenlandse afnemer verkocht. Opslag in Nederland, voor zover daarvan sprake was, vond veelal plaats bij het opslagbedrijf World Wide Logistics BV. Ook werd gebruik gemaakt van het opslagbedrijf [X] in het Verenigd Koninkrijk.
De meeste financiële transacties ten aanzien van de aan- en verkoop van de goederen zijn via geldwisselkantoren in het Verenigd Koninkrijk afgewikkeld. [B], [M], [F] en [J] maakten allemaal gebruik van Worldwide Currencies Ltd.
Daarnaast maakten [F] en [J] gebruik van onder andere Film Forex en Voltrex Foreign. Meestal kwam slechts het transactieresultaat terecht op Nederlandse bankrekeningen.
Zaak 1 betreft facturen afkomstig van [B]. CPU's worden geleverd in dozen, waarbij elke doos van een uniek serienummer is voorzien. De genoemde facturen van [B] hebben betrekking op transacties waarvan de doosnummers meermalen in de administratie voorkomen. Voorts is geconstateerd dat de prijs waarvoor [B] dozen heeft teruggekocht een aantal malen lager is dan de oorspronkelijke verkoopprijs.
Zaak 2 betreft facturen afkomstig van [F] waarbij eveneens dubbele doosnummers zijn voorgekomen. Soms zijn de dozen de tweede keer voor een lagere prijs ingekocht dan waarvoor zij eerder waren verkocht.
Zaak 3 betreft facturen afkomstig van [J]. Ook hier zijn dozen met een uniek doosnummers voor een tweede keer ingekocht. In het dossier bevinden zich verkoopfacturen van [J] aan [C], van [J] aan [K], van [J] aan [P] en van [J] aan [L] waarbij dit het geval is.
Zaak 4 betreft facturen afkomstig van [M]. Aan de hand van diverse facturen is vastgesteld dat door [M] zowel goederen zijn ingekocht als verkocht. Er zijn CPU's verkocht aan [C] SL in Spanje en aan [D] in Luxemburg. Facturen voor de in- en verkoop van partijen mobiele telefoons zijn gericht aan [C] en [E] in Frankrijk. In alle gevallen zijn de goederen na de invoer in Nederland overgebracht naar opslagbedrijven in het Verenigd Koninkrijk.
Eerst nadien volgde een release van de goederen. De plaats van levering was derhalve gelegen in het Verenigd Koninkrijk, zodat op de facturen van [M] Engelse BTW in rekening gebracht had moeten worden.
Het hof is van oordeel dat de volgende, reeds door de rechtbank opgesomde, omstandigheden, aanwijzingen opleveren dat verdachte de ten laste gelegde btw fraude heeft gepleegd.
De rechtbank heeft overwogen dat er zich in het dossier ook contra-indicaties bevinden voor de vaststelling dat sprake is geweest van BTW-fraude. Het hof zal een aantal contra-indicaties hieronder bespreken.
De eerstgenoemde contra-indicatie zou zijn dat in het dossier enig bewijs ontbreekt van een voordeel voor de betrokken bedrijven, groter dan het saldo van de handelstransacties. Het hof acht dit geen contra-indicatie. Het is immers een wezenskenmerk van een carrouselfraude dat er geen separate geldstroom nodig is.
Voorts is als contra-indicatie genoemd dat er geen bewijs is dat er fiscaal nadeel is geleden. Tot de stukken van het dossier behoort een proces-verbaal van de verbalisant [betrokkene 13], gedateerd 30 september 2008, waarin de verbalisant relateert dat hem in 2006 door een medewerker van de Customs & Excise in het Verenigd Koninkrijk telefonisch was medegedeeld dat [MM] Ltd niet aan de fiscale verplichtingen in het Verenigd Koninkrijk voldeed (pagina 27 van het proces-verbaal d.d. 29 maart 2006, dossiernummers 34521, 34952 en 34953).
Bij het proces-verbaal van 30 september 2008 is gevoegd een schrijven van […], senior officier HMRC, waarin (o.a.) is vernield, zakelijk weergegeven:
[MM] Ltd UK VAT Reg No […]) were never in a position to pay to HMRC the VAT liabilities they had incurred…”,
alsmede:
" . . . this trader was the subject of liquidation ... owing HMRC at that time (15 juni 2005; hof) £4,037,241.43”
In voornoemd proces-verbaal van 29 maart 2006 zijn op de pagina's 27 en 28 verschillende transacties vermeld waarbij betrokken zijn [F], [AA], [C], [B] en [MM]. Het hof heeft de onderliggende documenten met betrekking tot deze transacties gecontroleerd en in orde bevonden.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat er wel degelijk fiscaal nadeel is geleden.
Een andere contra-indicatie wordt naar het oordeel van de rechtbank gevormd door het feit dat reguliere handel in CPU's, waarbij snel wisselende prijzen voorkomen, bestaat. Het hof acht echter niet aannemelijk geworden dat in de reguliere handel in CPU's de prijzen binnen één dag of zelfs binnen één uur zo snel wisselen als door de verdediging is gesteld.
Voorts wordt als contra-indicatie aangevoerd dat verdachte de afnemers heeft gecontroleerd. Het hof is hieromtrent van oordeel dat - voor zover deze stelling al juist is; van een degelijke controle is niet gebleken - deze controle niets zegt over de rechtmatigheid van verdachtes handelen.
De omstandigheden dat er daadwerkelijk goederen zijn getransporteerd en dat er afnemers zouden zijn gecontroleerd ziet het hof niet als contra-indicaties voor een BTW-fraude.
Ten slotte wordt naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie gevormd door het feit dat als er is nagelaten BTW af te dragen, dat niet door de Nederlandse vennootschappen is gebeurd. Zij konden immers het nultarief hanteren (ABC transactie). Ook deze omstandigheid ziet het hof niet als contra-indicatie. Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is immers dat hij fraude mogelijk heeft gemaakt, waarbij het fiscale nadeel als gevolg van een carrousel waarschijnlijk in het Verenigd Koninkrijk is gelegen.
Het hof is van oordeel dat op grond van de bovengenoemde omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd.”