Conclusie
“mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en zenuwletsel en tandletsel ten gevolge heeft”.
Het middelklaagt dat ’s hofs oordeel dat sprake is van lichamelijk letsel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Nu de gebezigde bewijsmiddelen als geneeskundige verklaring van de GGD respectievelijk de kaakchirurg in opleiding inhouden dat de kaak van het slachtoffer op drie plaatsen gebroken was en dat daarvoor een ‘kaakchirurgische behandeling’ noodzakelijk was, is het bewezenverklaarde “zwaar lichamelijk letsel” reeds daarom toereikend gemotiveerd [1] en faalt het middel.
afzonderlijkals zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 82 Sr Pro moet kunnen worden aangemerkt, het een eis stelt die het recht niet kent.