Conclusie
€ 123.109,22€ 13.000,00€ 18.657,53 +/+€ 154.766,75
€ 154.766,75€ 49.340,48 -/-€ 105.426,27
Vordering benadeelde partij
€ 88.860,00 -/-
De verplichting tot betaling aan de Staat
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin aan de veroordeelde de verplichting werd opgelegd tot betaling van €16.500 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde was in de onderliggende strafzaak veroordeeld voor verduistering van geldbedragen uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij Stichting [A]. De rechtbank stelde het verduisterde bedrag vast op minimaal €88.860, terwijl de tenlastelegging een hoger bedrag vermeldde. De rechtbank wees een schadevergoedingsvordering van €180.250 grotendeels af en kende slechts €88.860 toe.
Het hof baseerde de ontnemingsvordering op een financieel verslag met een kasopstelling die het wederrechtelijk verkregen voordeel schatte op €16.566,27, afgerond tot €16.500. De verdediging klaagde dat het hof feiten in aanmerking had genomen waarvoor de veroordeelde was vrijgesproken, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid handelde en geen tegenstrijdige uitspraken deed.
Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €16.500 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.