ECLI:NL:PHR:2014:139

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2014
Publicatiedatum
13 maart 2014
Zaaknummer
12/03393
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, SvArt. 511g, tweede lid, SvArt. 588, eerste lid, onder b, sub 1º, SvArt. 588, derde lid, onder c, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring oproeping in hoger beroep wegens onjuiste adresvermelding in GBA

Betrokkene werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep tegen een ontnemingsmaatregel wegens het niet indienen van grieven en het niet verschijnen op de terechtzitting. Het hof baseerde zijn oordeel op de vermelding in de ID-staat SKDB dat betrokkene op het adres in Delft stond ingeschreven, waarop de oproeping was gericht.

Echter, uit een recent uittreksel van de basisadministratie en moderne GBA-uitdraaien bleek dat betrokkene sinds december 2011 stond ingeschreven op een ander adres in ’s-Gravenhage. Dit leidde tot het ernstige vermoeden dat de oproeping niet rechtsgeldig was betekend, omdat deze op het verkeerde adres was aangeboden.

De Hoge Raad oordeelt dat de mGBA-uitdraai, als meest actuele en betrouwbare bron, prevaleert boven de ID-staat SKDB. Hierdoor berust het oordeel van het hof op een onjuiste feitelijke grondslag. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verklaart de oproeping in hoger beroep nietig, zonder zelf inhoudelijk te oordelen over de zaak.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de oproeping in hoger beroep nietig wegens onjuiste adresvermelding.

Conclusie

Nr. 12/03393 P
Zitting: 7 januari 2014
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 21 juni 2012 de betrokkene bij verstek [1] met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv, in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de Rechtbank te ‘s-Gravenhage van 20 oktober 2011, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag van € 21.478,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens de betrokkene heeft mr. M. Bouman, advocaat te Delft, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de “dagvaarding” voor de terechtzitting in hoger beroep [2] niet nietig heeft verklaard, nu die “dagvaarding” niet op het juiste adres is uitgebracht.
4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Namens de betrokkene heeft mr. Bouman op 25 oktober 2011 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van 20 oktober 2011. De appelakte vermeldt als adres van de betrokkene [a-straat 1] in Delft.
(ii) De oproeping van de betrokkene in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 21 juni 2012 is op 18 mei 2012 tevergeefs aangeboden aan het adres [a-straat 1] in Delft. Vervolgens is deze oproeping - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor in Delft - op 8 juni 2012 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te ’s-Gravenhage, omdat de betrokkene op de dag van aanbieding van de oproeping en ten minste vijf dagen nadien op voornoemd adres was ingeschreven in de GBA. Voorts is op 8 juni 2012 een afschrift van de oproeping verzonden naar dit adres. Daarnaast is op 14 mei 2012 een afschrift van de oproeping verzonden naar de raadsman die zich in hoger beroep heeft gesteld (mr. Bouman).
(iii) De aan de oproeping gehechte ID-staten SKDB betreffende de betrokkene van 8 juni 2012 en 14 mei 2012 houden in dat de betrokkene niet was gedetineerd en dat hij vanaf 6 september 2011 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Delft.
(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2012 vermeldt als adres van de betrokkene [a-straat 1] in Delft. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de betrokkene niet ter terechtzitting is verschenen maar dat als raadsman van de betrokkene mr. Bouman aanwezig was. Deze heeft te kennen gegeven dat hij niet uitdrukkelijk door de betrokkene is gemachtigd om de verdediging te voeren. Voorts heeft de raadsman medegedeeld dat hij geen contact heeft gehad met de betrokkene over de zitting, aangezien hij de betrokkene niet kon bereiken op diens bij hem bekende gegevens, en dat uit informatie van de Raad voor Rechtsbijstand blijkt dat de betrokkene niet meer staat ingeschreven op zijn laatst bekende GBA-adres, te weten [a-straat 1] in Delft. In reactie hierop heeft de voorzitter van het hof opgemerkt dat de betrokkene blijkens de identiteitsstaat van de strafrechtsketendatabank van 8 juni 2012 nog staat ingeschreven op zijn laatst bekende GBA-adres ([a-straat 1] in Delft).
(v) Bij uitspraak van 21 juni 2012 heeft het hof de betrokkene gelet op art. 416, tweede lid, Sv in verbinding met art. 511g, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen dat de betrokkene niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven tegen de beslissing van de rechtbank heeft ingediend, dat de betrokkene evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen die beslissing heeft opgegeven en dat het hof ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. De uitspraak van het hof vermeldt als adres van de betrokkene [a-straat 1] in Delft.
(vi) Namens de betrokkene heeft mr. Bouman op 27 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof.
(vii) De aan de aanzegging in cassatie gehechte ID-staten SKDB betreffende de betrokkene van 8 november 2012, 25 september 2012 en 5 september 2012 houden in dat de betrokkene vanaf 6 september 2011 in de GBA staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Delft.
(viii) De eveneens aan de aanzegging in cassatie gehechte mGBA-uitdraaien (modernisering GBA) betreffende de betrokkene van 8 november 2012 en 5 september 2012 vermelden dat de betrokkene vanaf 6 september 2011 tot 22 december 2011 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Delft en dat hij sinds 22 december 2011 in de GBA staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage.
(ix) Aan de cassatieschriftuur is een kopie van een “uittreksel basisadministratie” betreffende de betrokkene van 3 september 2012 gehecht. Dit uittreksel, dat namens het gemeentebestuur is opgemaakt door een daartoe aangewezen ambtenaar van de gemeente ’s-Gravenhage, houdt in dat de betrokkene sinds 22 december 2011 in de GBA staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage.
5. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1º, Sv in verbinding met art. 588, derde lid, onder c, Sv rechtsgeldig is betekend. Het hof heeft dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde vaststelling dat de verdachte ten tijde van de betekening van die oproeping in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Delft kennelijk gebaseerd op de hiervoor onder 4 sub iii weergegeven ID-staten SKDB betreffende de betrokkene, waarin dat adres staat vermeld.
6. Gelet op de - hiervoor onder 4 sub ix weergegeven - aan de cassatieschriftuur gehechte kopie van het “uittreksel basisadministratie” en de - hiervoor onder 4 sub viii weergegeven - mGBA-uitdraaien, moet de vermelding in de ID-staten SKDB dat de betrokkene ten tijde van de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep woonachtig was op het adres [a-straat 1] in Delft voor onjuist worden gehouden. Uit het “uittreksel basisadministratie” en de mGBA-uitdraaien blijkt immers dat de betrokkene toen in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in ’s-Gravenhage. Daardoor rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De Hoge Raad kan de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren. [3]
7. Ten aanzien van (het verschil in) de adresvermelding in de ID-staten SKDB en de mGBA-uitdraaien merk ik nog het volgende op. Een mGBA-uitdraai is het resultaat van een directe bevraging van het GBA van de gemeente. De ID-staat SKDB is een bewerkte uitdraai die afkomstig is van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en bevat naast de GBA-gegevens nog andere gegevens, zoals eventuele detentie en (in geval van vreemdelingen) de verblijfsstatus. Hoewel de adresvermelding van een persoon in de ID-staat SKDB in de regel overeen zou moeten komen met de vermelding van zijn adres in de mGBA-uitdraai, dient in geval van verschil te worden uitgegaan van de adresvermelding in de mGBA-uitdraai, aangezien deze is ontleend aan een directe toegang tot het GBA van de desbetreffende gemeente en dus de meest actuele adresgegevens bevat.
8. Het middel slaagt.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet vermeldt dat tegen de betrokkene verstek is verleend, is de betrokkene niet op die terechtzitting verschenen en is enkel een niet gemachtigde raadsman verschenen.
2.De steller van het middel doelt kennelijk op de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
3.Vgl. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:495, rov. 2.