Conclusie
sic, AG] dat [verzoekster], indien en zodra zij haar psychosociale problematiek wel duurzaam onder controle heeft gekregen en dit bovendien door middel van een actuele en ter zake doende rapportage kan aantonen, op het geëigende moment opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het is derhalve tevens van belang dat [verzoekster], die in elk geval thans al over een goed sociaal vangnet blijkt te beschikken, haar pas vrij recente ingezette behandeling voortzet (mede opdat dan wel op enig moment de in artikel 5.4.3 van het Procesreglement verzoekschriften insolventiezaken rechtbanken bedoelde rapportage kan worden overlegd waaruit blijkt dat de problemen al enige tijd beheersbaar zijn). Daarbij merkt het hof nog op dat een te premature toelating van [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering het voor haar ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor haar nog ingrijpender gevolg, dat zij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als recent wederom bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.
Subonderdeel I.1klaagt dat het hof ten onrechte betekenis heeft gehecht aan een mogelijke toekomstige tekortkoming van [verzoekster] in verband met haar psychosociale problematiek. Volgens het subonderdeel volgt uit art. 354 en Pro 358 Fw dat een tekortkoming van de schuldenaar bij de nakoming van de schuldsaneringsregeling die de schuldenaar niet kan worden toegerekend, buiten beschouwing moet blijven. Nu niet is gebleken dat [verzoekster] psychosociale problematiek haar zou kunnen worden toegerekend, is daarmee niet (zonder meer) relevant of [verzoekster] haar psychosociale problematiek voldoende duurzaam onder controle heeft gekregen, aldus het subonderdeel. Zou dit subonderdeel falen, dan wordt in
subonderdeel I.2een klacht opgeworpen over de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in het licht van andere vaststellingen van het hof omtrent [verzoekster] toestand en de inhoud van de rapportage van Bureau [A] van 25 september 2013.
de, AG] maatstaf moet zijn of O. zich voldoende zal inspannen om haar verplichtingen na te komen. De omstandigheid dat de schuldenaar is aangewezen op hulp van derden en daarvan ook gebruik maakt, behoeft op zichzelf aan het slagen van de schuldsanering niet in de weg te staan. Op grond van het vorenoverwogene kan de beschikking van het hof dus niet in stand blijven.”
omdatsprake was van een psychosociale problematiek, maar veeleer omdat die problematiek naar het oordeel van het hof nog niet voldoende duurzaam onder controle was.
Subonderdeel I.3verwijt het hof miskend te hebben dat [verzoekster] schuldeisers verzoeken tot faillietverklaring hebben ingediend zodat in dit geval geen (reële) mogelijkheid bestaat tot een (latere) toepassing van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] mist belang bij deze klacht, aangezien het hof haar verzoek heeft afgewezen op grond van het bepaalde in art. 288 lid 1 sub c Fw Pro, welk oordeel naar mijn mening onjuist noch onbegrijpelijk is.