ECLI:NL:PHR:2014:14

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2014
Publicatiedatum
22 januari 2014
Zaaknummer
13/05794
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 284 lid 1 FwArt. 288 lid 1 sub a FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende beheersing psychosociale problematiek

Verzoekster diende op 13 februari 2012 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank wees dit verzoek op 10 juni 2013 af. In hoger beroep stelde het hof de zaak aan de kant om een rapportage over de psychosociale problematiek van verzoekster te ontvangen. Na ontvangst van het rapport van een psycholoog en een eindarrest op 14 november 2013, bekrachtigde het hof het vonnis omdat onvoldoende aannemelijk was dat verzoekster de verplichtingen van de regeling naar behoren zou nakomen.

Verzoekster stelde cassatie in tegen het tussen- en eindarrest. Zij voerde aan dat het hof ten onrechte betekenis gaf aan mogelijke toekomstige tekortkomingen door haar psychosociale problematiek, terwijl die problematiek haar niet kon worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelde dat de wet met art. 288 lid 3 Fw Pro juist voorziet in toelating van schuldenaren met psychosociale problemen indien deze voldoende onder controle zijn. Het hof had terecht beoordeeld dat verzoekster haar problematiek nog niet duurzaam onder controle had.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het hof de juiste maatstaf hanteerde door te toetsen of verzoekster voldoende gereed was om de schuldsanering succesvol te doorlopen. De prognose was gunstig bij goede ondersteuning, maar het bereiken van de behandeldoelen vergt tijd. Verzoekster kan op een later moment opnieuw toelating aanvragen als zij haar problematiek duurzaam onder controle heeft gekregen.

De uitspraak benadrukt het belang van het voorkomen van premature toelating tot de schuldsaneringsregeling, omdat voortijdige beëindiging ernstige gevolgen kan hebben. Tevens werd gewezen op de noodzaak van een actueel en adequaat rapport van een hulpverlener. De Hoge Raad bevestigt hiermee de zorgvuldige afweging tussen belangen van schuldenaar en schuldeisers in het insolventierecht.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat verzoekster haar psychosociale problematiek niet duurzaam onder controle heeft.

Conclusie

13/05794
Mr. L. Timmerman
Zitting 17 januari 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
(hierna: [verzoekster])
1. Op 13 februari 2012 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dat verzoek is afgewezen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 10 juni 2013. Hiertegen is [verzoekster] in hoger beroep opgekomen. Bij tussenarrest van 5 september 2013 heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch de behandeling van de zaak aangehouden om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen een rapportage van een psychische hulpverlener in het geding te brengen waaruit ten minste zou blijken wat de aard van haar psychische klachten was, welke behandeling(en) zij hiervoor ontvangt, wanneer de behandeling(en) is/zijn aangevangen en wanneer de behandeling(en) (naar verwachting) zal/zullen worden beëindigd. Bij brief van 30 september 2013 heeft de raadsman van [verzoekster] een rapportage overgelegd van Bureau [A], opgesteld door [de psycholoog] Psycholoog NIP, gedateerd 25 september 2013. Bij eindarrest van 14 november 2013 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd, omdat onvoldoende aannemelijk was dat [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (art. 288 lid 1 sub c Fw Pro). Daartoe overwoog het hof:
“7.1. Het hof acht het, gelet op de inhoud van voornoemde rapportage, onvoldoende aannemelijk dat [verzoekster] thans in staat zal zijn om alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen nu vast is komen te staan dat [verzoekster] haar psychosociale problematiek (waarvan, ofschoon geen ernstige psychische afwijkingen of echte persoonlijkheidsstoornissen door de behandelend psycholoog konden worden vastgesteld, de rapportage wel blijk geeft) nog niet voldoende duurzaam onder controle heeft gekregen. In dit verband wijst het hof onder meer naar het gestelde onder Prognose (bij IV). Daaruit volgt onder meer dat, ofschoon de prognose bij goede ondersteuning zeker gunstig is, het bereiken van de doelen om weer goed te kunnen functioneren (daarvan is thans dus nog geen sprake) wel enige tijd vergt. Het hof is evenwel van mening dat [verzoekster] op de goede weg is en merkt in dit verband op op [
sic, AG] dat [verzoekster], indien en zodra zij haar psychosociale problematiek wel duurzaam onder controle heeft gekregen en dit bovendien door middel van een actuele en ter zake doende rapportage kan aantonen, op het geëigende moment opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het is derhalve tevens van belang dat [verzoekster], die in elk geval thans al over een goed sociaal vangnet blijkt te beschikken, haar pas vrij recente ingezette behandeling voortzet (mede opdat dan wel op enig moment de in artikel 5.4.3 van het Procesreglement verzoekschriften insolventiezaken rechtbanken bedoelde rapportage kan worden overlegd waaruit blijkt dat de problemen al enige tijd beheersbaar zijn). Daarbij merkt het hof nog op dat een te premature toelating van [verzoekster] tot de wettelijke schuldsanering het voor haar ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor haar nog ingrijpender gevolg, dat zij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als recent wederom bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.
7.2. Nu [verzoekster] thans niet voldoet aan het cumulatieve vereiste van artikel 288 lid Pro sub c Fw, zal het hof - zoals reeds overwogen in onderdeel 3.5.1. van het tussenarrest - toetsing aan de overige cumulatieve vereisten van artikel 288 Fw Pro achterwege laten.”
2 [verzoekster] heeft op 22 november 2013 – en derhalve binnen de daarvoor gestelde termijn – cassatieberoep ingesteld tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof. Het middel van cassatie omvat één onderdeel dat uit drie subonderdelen bestaat.
3
Subonderdeel I.1klaagt dat het hof ten onrechte betekenis heeft gehecht aan een mogelijke toekomstige tekortkoming van [verzoekster] in verband met haar psychosociale problematiek. Volgens het subonderdeel volgt uit art. 354 en Pro 358 Fw dat een tekortkoming van de schuldenaar bij de nakoming van de schuldsaneringsregeling die de schuldenaar niet kan worden toegerekend, buiten beschouwing moet blijven. Nu niet is gebleken dat [verzoekster] psychosociale problematiek haar zou kunnen worden toegerekend, is daarmee niet (zonder meer) relevant of [verzoekster] haar psychosociale problematiek voldoende duurzaam onder controle heeft gekregen, aldus het subonderdeel. Zou dit subonderdeel falen, dan wordt in
subonderdeel I.2een klacht opgeworpen over de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in het licht van andere vaststellingen van het hof omtrent [verzoekster] toestand en de inhoud van de rapportage van Bureau [A] van 25 september 2013.
4 Een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in art. 284 lid 1 Fw Pro wordt beoordeeld aan de hand van een drietal cumulatieve vereisten, genoemd in art. 288 lid 1 sub Pro a t/m c Fw. Het derde vereiste, vervat in sub c, houdt in dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling blijkt dat de wetgever heeft beoogd de toegang tot de schuldsaneringsregeling te beperken tot degenen die ‘er klaar voor zijn’, dat wil zeggen schuldenaren die zich ervan bewust zijn aan welke verplichtingen zij zich onderwerpen en aannemelijk maken dat zij bereid en in staat zijn om zich in te spannen om een schone lei te verwerven. Of zulks aannemelijk is, dient de rechter af te leiden uit alle omstandigheden van het geval, waaronder de door de gedingstukken en de houding van de schuldenaar op de zitting gewekte indruk (Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3, p. 19-20).
5 Art. 288 lid 3 Fw Pro bepaalt dat het verzoek in afwijking van art. 288 lid 1 sub c Fw Pro kan worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de rechter schuldenaren met psychosociale of verslavingsproblemen tot de schuldsaneringsregeling toelaat indien hun problematiek voldoende onder controle is (Kamerstukken II 2006/07, 29 942, nr. 24, blz. 2). Wanneer er een grote kans bestaat dat de regeling tussentijds moet worden beëindigd, dient een te lankmoedige toelating vermeden te worden (Kamerstukken II 2005/06, 29 942, nr. 7, p. 6-7).
6 Art. 288 lid 1 sub c Fw Pro vormt mede een codificatie van het in de Recofa-richtlijnen neergelegde rechterlijk beleid dat de schuldenaar zoveel mogelijk gereed moet zijn om de schuldsanering met kans op succes te doorlopen. De Recofa-richtlijnen zijn verwerkt in het in 2009 vastgestelde Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, dat landelijk uniforme beoordelingscriteria bevat voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Art. 5.4.3 van genoemd Procesreglement stelt in verband met een psychosociale problematiek:
“Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie.”
7 Het subonderdeel doet een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ8174). Dat arrest heeft betrekking op art. 288 lid 1 onder Pro b Fw (oud), welke bepaling per 1 januari 2008 is vervangen door de toelatingsgrond van art. 288 lid 1 sub c Fw Pro. De oude afwijzingsgrond hield in dat een toelatingsverzoek werd afgewezen indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of uit zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. De zaak betrof de afwijzing van een verzoek tot het uitspreken van de schuldsaneringsregeling dat was ingediend door een schuldenaar die doofstom, ongeletterd en de Nederlandse taal niet machtig was. De Hoge Raad oordeelde:
“3.4 […] Uit het stelsel van de wet, zoals onder meer blijkt uit het bepaalde in art. 354 en Pro 358 Fw, volgt daarnaast dat tekortkomingen van de schuldenaar bij de nakoming van de schuldsaneringsregeling buiten beschouwing blijven voor zover zij de schuldenaar niet kunnen worden toegerekend. Hieruit kan worden afgeleid dat art. 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, niet toelaat dat de rechter het verzoek afwijst enkel op grond van de verwachting dat de schuldenaar zal tekortschieten in de nakoming van zijn verplichtingen als gevolg van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend.
3.5 Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is immers in de kern erop gebaseerd dat O. door haar gebrekkige wijze van communiceren en haar afhankelijkheid van de hulp van derden niet in staat zal zijn haar verplichtingen na te komen. Daarmee heeft het hof miskend dat [
de, AG] maatstaf moet zijn of O. zich voldoende zal inspannen om haar verplichtingen na te komen. De omstandigheid dat de schuldenaar is aangewezen op hulp van derden en daarvan ook gebruik maakt, behoeft op zichzelf aan het slagen van de schuldsanering niet in de weg te staan. Op grond van het vorenoverwogene kan de beschikking van het hof dus niet in stand blijven.”
8 Volgens het subonderdeel is dit arrest mutatis mutandis van toepassing op het huidige art. 288 lid 1 sub c Fw Pro. In de literatuur wordt dat eveneens (voorzichtig) aangenomen [1] . Ik meen dat een en ander thans in het midden kan blijven aangezien het zo-even genoemde arrest van de Hoge Raad geen grond biedt voor de opvatting dat geen (enkele) betekenis toekomt aan een eventuele psychosociale problematiek omdat deze de schuldenaar niet kan worden toegerekend of hem/haar ter zake geen verwijt kan worden gemaakt. Anders dan onder het oude recht bevat de wet nu een specifieke bepaling – art. 288 lid 3 Fw Pro – om personen met een psychosociale problematiek de mogelijkheid te bieden tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. De daarvoor geldende maatstaf is de beheersbaarheid van die problematiek. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de belangen van de schuldenaar en aan die van de schuldeisers. De door het subonderdeel verdedigde opvatting dat een tekortkoming die voortvloeit uit een psychosociale problematiek niet in de beoordeling betrokken mag worden, laat zich moeilijk verenigen met het uitgangspunt van de wetgever dat de schuldsaneringsprocedure alleen open moet staan voor gevallen waarbij het slagen daarvan voldoende aannemelijk is, en dat voorkomen moet worden dat na verleende toegang tot de schuldsaneringsregeling deze tussentijds beëindigd moet worden.
9 Uit de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen blijkt dat het gerechtshof in overeenstemming met de zojuist genoemde uitgangspunten heeft getoetst of [verzoekster] haar psychosociale problematiek voldoende duurzaam onder controle heeft gekregen (art. 288 lid 3 Fw Pro) en na een ontkennende beantwoording van die vraag heeft beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (art. 288 lid 1 sub c Fw Pro). Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik merk nog op dat het hof [verzoekster] verzoek niet heeft afgewezen
omdatsprake was van een psychosociale problematiek, maar veeleer omdat die problematiek naar het oordeel van het hof nog niet voldoende duurzaam onder controle was.
10 Subonderdeel I.1 faalt.
11 Daarmee komt subonderdeel I.2 aan bod. Het subonderdeel betoogt dat niet (zonder meer) valt in te zien dat en waarom de psychosociale problematiek van [verzoekster] eraan in de weg zou staan dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarbij wijst het subonderdeel op een twaalftal onderdelen uit het bestreden arrest en het door [verzoekster] ingediende rapport van Bureau [A], waaruit volgens het subonderdeel het tegenovergestelde zou blijken. In wezen beoogt het subonderdeel een inhoudelijke herbeoordeling van een kwestie die in sterke mate wordt gekleurd door de omstandigheden van het geval, waaronder de door de gedingstukken en de houding van de schuldenaar op de zitting gewekte indruk. Een dergelijke klacht kan in cassatie geen doel treffen.
12 Maar ook inhoudelijk kan het subonderdeel niet slagen. Het gerechtshof heeft zijn oordeel gegrond op de gedachte dat [verzoekster] thans nog niet goed kan functioneren en het bereiken van de behandeldoelen om dat wel te kunnen enige tijd vergt. Het hof heeft deze gedachte (mede) ontleend aan de volgende passage van het voornoemde rapport onder het kopje ‘IV. Prognose’:
“De prognose is bij goede ondersteuning zeker gunstig, al vergt het bereiken van de doelen wel enige tijd. [verzoekster] heeft geen ernstige belemmeringen (noch psychisch, noch lichamelijk) om weer goed te kunnen functioneren en om weer terig te komen op de arbeidsmarkt.”
13 Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2013 heeft [verzoekster], naar het hof in rov. 3.6 van zijn tussenarrest van 5 september 2013 heeft overwogen en in cassatie niet is bestreden, aangegeven dat er sprake is van psychosociale problematiek waarvoor zij inmiddels een jaar frequent wordt behandeld. In haar beroepschrift van 18 juni 2013 heeft [verzoekster] over haar persoonlijke omstandigheden en psychische gesteldheid het volgende naar voren gebracht:
“18. Aan de rechtbank is uitvoerig gemeld op welke wijze [verzoekster] onder druk is gezet door haar ex-echtgenoot. Dat blijkt ook uit de schriftelijke verklaringen die [verzoekster] heeft opgesteld en die zijn overgelegd als bijlagen bij de brieven van 28 maart en 28 mei 2013 van mr. Krüger (Producties 3 en 4). Daarin wordt gerelateerd hoe [verzoekster] heeft moeten tekenen voor de contractsdocumentatie met ING en Nobas (abusievelijk aangeduid als Nobus). Om op een andere wijze te illustreren welke dreiging van de ex-echtgenoot uitgaat, worden thans diverse processen-verbaal van aangifte tegen de ex-echtgenoot wegens stalking, bedreiging en diefstal overgelegd (Productie 5).
19. Overigens gaat het hierbij niet alleen om de druk die werd uitgeoefend door de ex-echtgenoot om deze documentatie te tekenen Uit de bijlagen bij de brief van 28 mei 2013 blijkt ook dat Nobas – als schuldeiser – nagelaten heeft zich rechtstreeks te verstaan met [verzoekster] van wie verwacht werd dat zij een borgstelling voor meer dan € 2,6 miljoen zou tekenen. […]
23. Om de druk die op [verzoekster] is uitgeoefend te illustreren, heeft [verzoekster] diverse schriftelijke verklaringen overgelegd (Producties 3 en 4). Het gewelddadige en manipulerende karakter van de ex-echtgenoot blijkt ook uit de processen-verbaal van diverse aangiftes die tegen de ex-echtgenoot zijn gedaan door [verzoekster], haar vader, haar moeder en mr. Roctus (Productie 6). Tegen deze onaanvaardbare druk heeft [verzoekster] gedurende het huwelijk geen weerstand kunnen bieden. Pas na het huwelijk is ze weer begonnen na te denken. Ondanks haar angst voor de grote agressie van de ex-echtgenoot heeft [verzoekster] toch de moed gehad om het huwelijk te durven te beëindigen, wetende welke risico’s zij daarmee liep en nog steeds loopt. Gemeld is aan de rechtbank dat [verzoekster] al geruime tijd onder behandeling van een psycholoog staat om dit alles te verwerken, zodat zij op een normale wijze haar leven weer kan oppakken.”
14 Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof dat het bereiken van de behandeldoelen om goed te kunnen functioneren enige tijd zal vergen en [verzoekster] haar psychosociale problematiek nog niet voldoende duurzaam onder controle heeft gekregen, niet onbegrijpelijk.
15
Subonderdeel I.3verwijt het hof miskend te hebben dat [verzoekster] schuldeisers verzoeken tot faillietverklaring hebben ingediend zodat in dit geval geen (reële) mogelijkheid bestaat tot een (latere) toepassing van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] mist belang bij deze klacht, aangezien het hof haar verzoek heeft afgewezen op grond van het bepaalde in art. 288 lid 1 sub c Fw Pro, welk oordeel naar mijn mening onjuist noch onbegrijpelijk is.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie Engberts (2010, T&C Insolventierecht, art. 288, aant. 5; Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9066v) die ook wijst op HR 18 juni 2008 (81 RO), en F. Salomons (Schuldsanering voor natuurlijke personen in nederland, Preadvies privaatrecht, Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Book Juridische uitgevers 2008, p. 268) weliswaar met enige aarzeling vanwege het vereiste dat schuldenaren ‘er klaar voor moeten zijn’.