De rechtbank Rotterdam verklaarde op 16 april 2014 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten toelaatbaar, ondanks bezwaren over de rechtmatigheid van zijn aanhouding en de specificiteit van zijn rol in de strafbare feiten. De verdediging stelde dat de aanhouding was gebaseerd op een andere periode dan het uiteindelijke uitleveringsverzoek en dat de stukken onvoldoende concreet waren over zijn betrokkenheid bij de hacks.
De rechtbank oordeelde dat de aanhouding weliswaar was gebaseerd op feiten uit een eerdere periode, maar dat de latere feiten in het uitleveringsverzoek een nadere aanduiding vormden van dezelfde feiten en dat de uitleveringsdetentie daarom rechtmatig was. Ook vond de rechtbank dat de stukken, waaronder het Affidavit en de Supplemental Declaration, voldoende concreet waren om de uitlevering te toetsen en voldeden aan de eisen van het uitleveringsverdrag.
In cassatie klaagde de verdediging over de rechtmatigheid van de aanhouding en de ontoereikendheid van de stukken, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten. De Raad benadrukte dat de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming niet aan cassatie onderhevig is en dat het uitleveringsverzoek niet hoeft te specificeren welke rol de opgeëiste persoon precies had. De stukken voldeden aan de eis van een redelijk vermoeden van schuld, vergelijkbaar met de Nederlandse maatstaf van ernstige bezwaren.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen falen en wees het cassatieberoep af, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand blijft.