Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard, althans dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht waar de verdachte verbleef.
artikel 588, eerste lid, onderdeel a, van de wetbedoelde uitreiking in persoon geschiedt mede ingeval aan een verdachte een dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen wordt betekend en aan deze persoon blijkens raadpleging van de strafrechtsketendatabank anders dan in verband met de strafzaak waarop de mededeling betrekking heeft, in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen dan wel aan deze persoon ingevolge een machtiging als bedoeld in
artikel 28 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenin Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Dit vereiste geldt niet indien de strafzaak wordt vervolgd voor de kantonrechter.
2. (…)
artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
tweede middelhoudt in dat het Hof met betrekking tot de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft miskend dat een benadeelde, die geen lichamelijk letsel heeft opgelopen, niet in zijn eer of goede naam is geschaad en niet op andere wijze in zijn persoon is aangetast, alleen recht heeft op vergoeding van nadeel dat niet bestaat in vermogensschade wanneer het oogmerk van de dader was gericht op toebrengen van dat nadeel.