ECLI:NL:PHR:2014:155

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2014
Publicatiedatum
13 maart 2014
Zaaknummer
12/05085
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring poging doodslag wegens onvoldoende bewijs opzet

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging doodslag, ontuchtige handelingen met minderjarige en mishandeling, met een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 8 voorwaardelijk. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte met hoge snelheid op het slachtoffer inreed met de intentie het leven te beroven.

In cassatie klaagt de verdachte over de motivering van het bewezen verklaarde opzet bij poging doodslag. De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het slachtoffer en dat hij het aanmerkelijke risico van diens dood bewust heeft aanvaard. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd of sprake was van voorwaardelijk opzet en waarom dit werd aangenomen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor het onderdeel poging doodslag en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van dit feit en de strafoplegging. De overige klachten over betrouwbaarheid van verklaringen en bewijsvoering worden verworpen. De bewezenverklaring voor de ontuchtige handelingen en mishandeling blijft in stand.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het onderdeel poging doodslag en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 12/05085
Mr. Bleichrodt
Zitting 7 januari 2014
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 22 maart 2012 wegens “poging doodslag” (feit 1), “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” (feiten 2 en 3) en “mishandeling” (feit 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met toepassing van een bijzondere voorwaarde en met een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft voorts de in beslag genomen auto verbeurd verklaard en de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3. Het
eerste middelklaagt over de motivering van het bewezen verklaarde opzet van feit 1.
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 10 juli 2008 te Uithuizen, gemeente Eemsmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een auto met (hoge snelheid en zonder snelheid te verminderen en zonder te remmen op [betrokkene 1] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
De bewezenverklaring stoelt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 oktober 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als verklaring van verdachte:
Ik reed in de auto terwijl ik medicijnen had genomen en alcohol had gedronken. Ik heb niet geremd.
2. Een door verbalisant [verbalisant 1] in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juli 2008 (pagina 41-42 van een in de wettelijke vorm opgemaakt dossier proces-verbaal met nummer PL01ML/08-005508), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als verklaring van aangever [betrokkene 1]:
Op 10 juli 2008 zag ik in Uithuizen dat een grijze Citroen Berlingo in mijn richting reed. Hij kwam met hoge snelheid op mij af. Vlak voordat hij bij mij was ben ik achter mijn auto gesprongen. Indien ik niet was weggesprongen had de auto mij geraakt. De auto reed daarna met onverminderde snelheid rechtsaf, de Borgweg, in.
3. Een door verbalisant [verbalisant 2] in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2008 (pagina 45-47 van het onder 1 genoemde dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Als verklaring van de getuige [getuige]:
Ik zag op 10 juli 2008 te Uithuizen dat een auto met hoge snelheid uit de Hoofdstraat kwam rijden. Het was een Citroen Berlingo. Ik zag dat de auto verder reed door de Leeuwstraat. Ik zag een vrouw gedeeltelijk op de rijbaan staan. Ik zag dat die mevrouw moest wegspringen om een aanrijding met de Citroen Berlingo te voorkomen. Ik schat de afstand tussen die mevrouw en de auto toen ze wegsprong op een halve tot een hele meter. Ik zag dat de Citroen Berlingo werd bestuurd door [verdachte]. “
6. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte onder invloed van medicijnen en alcohol in de auto is gestapt en met hoge snelheid door zijn woonplaats heeft gereden. Voorts komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat een op straat staande vrouw voor de auto van verdachte moest wegspringen om niet geraakt te worden en dat de afstand tussen haar en de auto is geschat op een halve tot een hele meter.
7. Met de steller van het middel ben ik van mening dat uit deze omstandigheden, die inzicht geven in het objectief waarneembare rijgedrag van de verdachte en in het daaraan voorafgaande alcohol- en medicijngebruik, nog niet kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte was gericht op het van het leven beroven van [betrokkene 1], eventueel in voorwaardelijke vorm. De bewijsmiddelen houden niets in over enige vorm van wetenschap dan wel bewustzijn van de verdachte. Het hof heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang ten aanzien van het opzet van de verdachte. Zo heeft het hof niet duidelijk gemaakt of het is uitgegaan van voorwaardelijk opzet en, zo ja, op grond van welke overwegingen het daartoe is gekomen. Een nadere bewijsoverweging wordt node gemist.
8. Voor de vaststelling van voorwaardelijk opzet, in die zin dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een aanmerkelijke kans, is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [1] Het uit de bewijsmiddelen volgende rijgedrag van de verdachte is daartoe nog niet toereikend. Daarbij merk ik nog op dat uit de bewijsmiddelen 2 en 3 kan worden afgeleid dat de verdachte met hoge snelheid reed, zonder dat daaruit duidelijk wordt met welke snelheid de verdachte reed en in hoeverre hij daarmee de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden.
9. In recente rechtspraak ten aanzien van roekeloosheid in het verkeer heeft de Hoge Raad benadrukt dat mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld. De rechter dient in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. De Hoge Raad vernietigde in dit verband diverse arresten waarin hoven hadden vastgesteld dat sprake was van roekeloosheid in gevallen waarin de maximumsnelheid (aanzienlijk) was overschreden en waarin eveneens alcohol in het spel was. [2] In de onderhavige zaak is niet roekeloosheid, maar opzet bewezen verklaard, met het daarbij behorende, nog hogere strafmaximum. Uit het voorafgaande volgt dat naar mijn mening de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. [3]
10. Het middel is terecht voorgesteld.
11. Het
tweede middelhoudt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het bewijsmateriaal wegens onbetrouwbaarheid niet gebruikt mocht worden en door het hof in weerwil van dit verweer toch voor het bewijs is gebruikt.
12. Het middel ziet op de bewezenverklaring van feiten 2 en 3. In de toelichting op het middel wordt in algemene zin verwezen naar de pagina’s 3 tot en met 10 van de pleitnota die in hoger beroep is gebruikt. Daarin wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters betwist. Volgens de steller van het middel heeft het hof het desbetreffende verweer onbesproken gelaten. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof is in het bestreden arrest immers wel uitdrukkelijk ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters. Het hof overwoog:
“Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Dat de verklaringen van aangeefster [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ten aanzien van de ontucht soms in detail verschillen vertonen met hun eerdere verklaring dan wel verklaringen van anderen, doet aan hun betrouwbaarheid niet af. In de kern zijn de verklaringen van beide aangeefsters helder en consistent.”
13. Het hof heeft aldus inzichtelijk gemaakt waarom het, in afwijking van het door de verdediging aangevoerde, de verklaringen van de aangeefsters die tot het bewijs zijn gebezigd betrouwbaar acht. In het licht van het ter zitting aangevoerde, was het hof niet tot een nadere motivering gehouden. De motivering van het hof is niet onbegrijpelijk, terwijl het voor het overige aan de feitenrechter is voorbehouden van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt betrouwbaarheid dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
14. Het
derde middelklaagt over de motivering van het onder 4 bewezen verklaarde, omdat het bewijs enkel zou steunen op de verklaring van de aangeefster.
15. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 8 juni 2008, te Uithuizen, gemeente Eemsmond, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [betrokkene 4]) tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
16. Tot het bewijs van dit feit heeft het hof gebezigd de verklaring van aangeefster:
“Mijn moeder en stiefvader huren het eetcafé van [verdachte] in Uithuizen. Ik hielp mee in het eetcafé. [verdachte] mag van mijn moeder daar niet meer komen. Op 8 juni 2008 kwam [verdachte] het eetcafé binnen. Ik sprak hem daarop aan. Ik zag dat [verdachte] zijn rechterarm met kracht tegen mijn gezicht sloeg. Ik voelde hierdoor pijn aan mijn jukbeen. Na de klap voelde ik dat een zwelling ontstond in mijn gezicht op de plaats waar [verdachte] mij had geraakt. Ik ben naar de dokter gegaan. Die heeft mij behandeld.”
Daarnaast heeft het hof twee verklaringen van de verdachte voor het bewijs gebruikt, waarvan de eerste afkomstig is van de terechtzitting in eerste aanleg en de tweede van een proces-verbaal van verhoor bij de politie van 12 juli 2008:
“Op 8 juni 2008 liep ik door het café. Ik zal haar best geraakt hebben.”
en:
“Ik heb [betrokkene 4] zeer zeker geraakt.”
17. De steller van het middel betoogt dat de verklaringen van de verdachte geen steun geven aan de aangifte, onder meer omdat niet duidelijk zou worden om welk café het gaat en wie werd geraakt. Op zichzelf klaagt de steller van het middel terecht dat zulks uit de zeer beknopte delen van de verklaringen die het hof in de aanvulling bewijsmiddelen heeft opgenomen niet volgt. In zijn arrest van 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960 heeft de Hoge Raad evenwel overwogen dat in gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering, en dat in dergelijke gevallen zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kan worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO. Een vergelijkbare benadering leidt er in de onderhavige zaak toe dat het middel niet kan slagen. Als ik mij beperk tot de lezing van de verklaring van de verdachte zoals neergelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, wordt al duidelijk dat het in de desbetreffende verklaring van de verdachte gaat om het café in Uithuizen waarover de aangeefster heeft verklaard en dat [betrokkene 4] degene is die geraakt is:
“Op 8 juni 2008 wilde ik de vérstraler op het dak van de discotheek [A] te Uithuizen uitdoen. De enige toegang naar het dak is via het café. De zaterdag ervoor had ik de beveiliging verdrievoudigd en aan [betrokkene 5], de stiefvader van [betrokkene 4], op voorhand de toegang tot de discotheek ontzegd. Ik had niet begrepen dat ik daarna het café niet meer binnen mocht. Ik liep naar binnen. Toen ik door het café terugliep kwam ze naar me toe en ging ze me krabben. Haar vriendje is er tussen gekomen. Ik ben rustig blijven staan. Zijn vriendin wilde me aan de andere kant pakken maar [betrokkene 6] zei: "hou haar tegen". Daarna ben ik weggegaan. Ik zal niet zeggen dat ik haar niet geraakt heb. Ze heeft me met haar lange nagels gekrabd. Ik weet niet meer of ik haar op de arm heb geslagen maar ik zal haar best geraakt hebben. Dit speelde zich af in een paar minuten.”
18. Een nieuwe behandeling van de zaak zal dan ook naar verwachting in dit opzicht niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring leiden. Hoewel het middel op zichzelf een onvolkomenheid in de bewijsvoering blootlegt, kan het wegens het ontbreken van voldoende belang worden afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro.
19. Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde verkorte motivering. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, doch uitsluitend wat betreft feit 1 en de strafoplegging en met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4736, NJ 2010, 117.
2.Zie onder meer HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012, 488, m.nt. Bleichrodt en HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:964.
3.Anders dan bijvoorbeeld in HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9360, NJ 2004, 323, waarin de bewijsmiddelen niet allen specifieker inzicht gaven in het rijgedrag, maar waarin het hof bovendien een uitvoerige nadere bewijsoverweging had opgenomen, waarin het onder meer het bewijs van voorwaardelijk opzet toelichtte.