ECLI:NL:PHR:2014:158

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2014
Publicatiedatum
13 maart 2014
Zaaknummer
12/05909
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep

Het Gerechtshof Leeuwarden heeft verdachte bij verstek veroordeeld wegens verduistering en wapengerelateerde feiten. Verdachte was in Duitsland gedetineerd en verscheen niet bij de terechtzittingen. Het hof weigerde het verzoek tot aanhouding van de zaak om verdachte in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn, omdat verdachte zich had ingeschreven op een Nederlands adres en het belang van een spoedige afhandeling zwaarder woog.

De verdediging klaagde dat het hof het aanwezigheidsrecht van verdachte had geschonden en dat het hof onvoldoende had onderzocht welke mogelijkheden er waren voor internationale rechtshulp om de aanwezigheid van verdachte te waarborgen. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof ontoereikend was en dat het faxbericht van de raadsman een duidelijke aanwijzing gaf dat verdachte niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om in persoon te worden berecht.

De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting, waarbij het aanwezigheidsrecht van verdachte gerespecteerd dient te worden. Het financieel belang van de benadeelde partij werd als relatief gering beoordeeld, waardoor het belang van verdachte bij aanwezigheid zwaarder had moeten wegen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van het aanwezigheidsrecht van verdachte.

Conclusie

Nr. 12/05909
Mr. Machielse
Zitting 7 januari 2014
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Leeuwarden, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 10 december 2012 bij verstek wegens 1: verduistering en 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot patronen van categorie III, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof het aanwezigheidsrecht van verdachte heeft geschonden. De verdediging heeft aan het hof verzocht de behandeling ter terechtzitting aan te houden teneinde verdachte in de gelegenheid stellen aanwezig te zijn bij de berechting, maar het hof heeft dit verzoek afgewezen.
3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2012 houdt in dat verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd in Duitsland, op een in dat proces-verbaal opgenomen adres. De advocaat-generaal deelt mee dat de verdachte nog tot oktober 2016 in Duitsland gedetineerd zal blijven. Het hof besluit vervolgens de behandeling van de zaak aan te houden voor onbepaalde tijd om de oproeping ook op het buitenlandse detentie-adres van verdachte te doen uitreiken. Op 26 november 2012 is, evenals de voorgaande keren, verdachte noch advocaat ter terechtzitting verschenen.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2012 heeft de voorzitter geconstateerd dat verdachte evenmin als zijn advocaat is verschenen. De voorzitter heeft mededeling gedaan van de inhoud van een fax waarin de advocaat vraagt om aanhouding van de zaak omdat verdachte in Duitsland is gedetineerd. De AG heeft verklaard zich niet tegen de aanhouding verzetten. Het proces-verbaal vermeldt dan het volgende:
“De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor het houden van beraad.
De voorzitter hervat het onderzoek en deelt mede dat in de Gemeentelijke Basis Administratie sedert 28 september 2012 als woonadres van verdachte is vermeld [a-straat 1], [woonplaats].
De oproeping om te verschijnen ter terechtzitting van heden is op 23 oktober 2012 betekend aan een persoon die zich op dat adres bevond en verklaarde dat stuk (de brief) in ontvangst te willen nemen en onverwijld aan geadresseerde te doen toekomen.
Deze oproeping is in overeenstemming met de wettelijke voorschriften uitgereikt. Het hof acht deze oproeping op zich ook voldoende, ook in geval verdacht nog gedetineerd zou zijn in Duitsland.
Verdachte heeft zich kort geleden laten inschrijven op voormeld adres, dat er kennelijk toe dient zeker te stellen dat brieven en andere voor hem bestemde stukken die naar dat adres worden verstuurd of daar worden uitgereikt hem kort na bezorging bereiken.
Het hof is van oordeel dat het op de weg van verdachte, die zelf hoger beroep heeft ingesteld, had gelegen om toen hij zich weer in liet schrijven op voormeld GBA-adres contact op te nemen met zijn raadsman indien hij in verband met de (voortzetting) van de behandeling van deze strafzaak daarvan (ook) op een ander adres verwittigd wilde worden daarvan rechtstreeks dan wel via zijn raadsman mededeling te doen aan het
Openbaar Ministerie. Van dergelijke inspanningen is het hof niet gebleken.
Bij de beoordeling van het verzoek van de raadsman de zaak nogmaals aan te houden moet het hof de belangen afwegen van verdachte, van de benadeelde partij, alsmede het algemeen strafvorderlijke belang van een spoedige afhandeling van strafzaken. Nu verdachte mogelijk nog vele jaren in Duitsland gedetineerd is moet het belang van de benadeelde partij en vorenomschreven algemeen belang zwaarder wegen dan het belang van verdachte zelf bij de berechting van zijn zaak aanwezig te zijn.
Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af en bepaalt dat thans voortgegaan dient te worden met de behandeling van de zaak.”
Het middel klaagt dat deze motivering ontoereikend is.
3.3. De inhoud van de fax die de voorzitter op 26 november 2012 heeft medegedeeld, levert een duidelijke aanwijzing op dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Aanhouding behoort in de regel plaats te vinden wanneer blijkt dat verdachte uit anderen hoofde is gedetineerd. Het hof heeft niets vastgesteld over de eventuele mogelijkheden van internationale rechtshulp en de tijd die daarmee zou zijn gemoeid. [1]
3.4. De motivering van de verwerping van het beroep lijkt mij ontoereikend te zijn. Het financieel belang van de benadeelde partij is slechts betrekkelijk en bedraagt enkele honderden euro's. Uitstel van de behandeling zou in beginsel voor rekening van verdachte komen. Deze belangen lijken mij niet zo zwaarwegend dat zij het nalaten om te onderzoeken welke mogelijkheden er via internationale rechtshulp bestaan om tegemoet te komen aan de veronderstelde wens van verdachte om zijn berechting bij te wonen kunnen verklaren.
Het middel komt mij gegrond voor.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1988.