Conclusie
Het middel
eerste klachtvan het middel richt zich tegen de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde bromfiets op 26 oktober 2012 “voorhanden heeft gehad”. Met een beroep op HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6053 wordt door de steller van het middel betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte op enig moment de feitelijke zeggenschap over de bromfiets heeft gehad.
tweede klachtvan het middel heeft betrekking op de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de tenlastelegging genoemde bromfiets redelijkerwijs moest weten dat deze bromfiets een door misdrijf verkregen goed was. Volgens de steller van het middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat kan worden gezegd dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.