Conclusie
1.Voorgeschiedenis
( [1] )) aan de betrokken schuldeisers voldaan. Na afwikkeling van het faillissement resteerde in de boedel nog een bedrag van € 1.599.049,49.
( [2] )
( [3] )Hij heeft op grond van art. 2:23a lid 4 BW de rechtbank Rotterdam verzocht om wederom het faillissement van [verweerster 1] uit te spreken, omdat naar zijn inschatting de boedelschulden en de onvoldaan gebleven vorderingen op [verweerster 1], met name die inzake de niet voor verificatie in aanmerking gekomen zijnde rente, in totaal meer zouden bedragen dan de bij [verweerster 1] nog aanwezige baten. Het faillissement heeft de rechtbank op 27 mei 2013 uitgesproken, met aanstelling van verzoeker tot cassatie tot curator (hierna: de Curator) en met benoeming van mr. W. Reinds tot rechter-commissaris.
allerentevorderingen de wettelijke rente tot uitgangspunt te nemen ter bepaling van de hoogte van elk van de rentevorderingen. Hij meldt dat hij in een afzonderlijk schrijven aan iedere crediteur, die rentebepalingen in zijn algemene voorwaarden had opgenomen of een aanzegging van de wettelijke rente had gedaan, zal aangeven voor welk bedrag, berekend aan de hand van de wettelijke rente, hij reeds op de lijst van voorlopig erkende crediteuren staat vermeld. Hij roept de schuldeisers, die met het voorstel niet akkoord kunnen gaan en menen meer te vorderen te hebben, op om alsnog hun vordering in te dienen voorzien van een motivering waarom zij menen dat zij recht zouden hebben op een hoger bedrag.
( [4] )
( [5] )In de brief vermeldt de Curator bovendien onder meer:
( [6] )is geplaatst op de lijst van voorlopig erkende vorderingen. Indien u meent dat dit bedrag onjuist is, verzoek ik u mij dit te melden, met uw argumenten en onder overlegging van bewijsstukken.”
( [7] )
( [8] )heeft mr. D.J.A. Van den Berg, optredende als raadsman van niet alleen de weer in staat van faillissement verkerende [verweerster 1], maar ook van 77% van de
indirecteaandeelhouders van [verweerster 1]
( [9] )en twee voorlopig erkende crediteuren van [verweerster 1] (Tele Logistic B.V. en Fabory Nederland B.V.) bezwaar gemaakt tegen de handelwijze van de curator, met name dat hij vorderingen van crediteuren al op de lijst van voorlopig erkende vorderingen heeft geplaatst zonder dat die crediteuren hun vorderingen – zoals in artikel 110 Fw Pro bepaald – hebben ingediend. Die vorderingen komen naar zijn mening niet voor verificatie in aanmerking. Voor zover over dit laatste anders wordt geoordeeld, heeft hij die vorderingen betwist en heeft hij verzocht om die betwiste vorderingen op de voet van art. 122 lid 1 Fw Pro naar een terechtzitting van de rechtbank te verwijzen met het oog op het voeren van een renvooiprocedure.
( [10] )
( [11] )
( [12] )- beroep in cassatie ingesteld. Verweerders in cassatie hebben een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Zij hebben tevens van hun zijde incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Curator heeft tot verwerping van dat beroep geconcludeerd in een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Heeft de rechter-commissaris een beslissing tot toelating van schuldvorderingen tot verificatie genomen?
( [13] )Daarmee wilde hij aangeven dat deze vorderingen niet voor verificatie en voldoening in aanmerking komen. De rechter-commissaris heeft dit bezwaar niet gehonoreerd. Dit volgt uit de – ook door de rechtbank vermelde – beslissing dat alle schuldvorderingen, die op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen staan vermeld, worden overgebracht naar de lijst van definitief erkende schuldvorderingen. Dat de rechtbank de zojuist vermelde gang van zaken op de verificatievergadering ook opvat als hiervoor vermeld, blijkt uit rov. 6.25 van haar beschikking van 31 oktober 2013.
( [14] ), niet voorziet in een bevoegdheid van de rechter-commissaris om een beslissing te nemen over toelating van schuldvorderingen tot de verificatie.
Is indiening van een schuldvordering door de schuldeiser zelf op de voet van artikel 110 Fw Pro vereist voor toelating van de schuldvordering tot verificatie?
( [15] )
( [16] )
( [17] )Aan de beslissing omtrent het wel of niet toelaten van een vordering tot verificatie zit een element van juridische beoordeling met het oog op het intreden van rechtsgevolgen. Beoordeeld moet worden of aan de in de wet gestelde voorwaarden voor toelating is voldaan, terwijl het mede van het wel of niet toegelaten worden van een vordering tot verificatie zal afhangen of er eventueel gedeeld kan worden in de in het faillissement aanwezige baten. Een en ander rechtvaardigt aan de beslissing tot toelating tot verificatie het karakter van een beschikking toe te kennen.
( [18] )Of een beschikking tot iemand is gericht, hangt hiervan af of bij de betrokkene een belang speelt dat door de beschikking wordt geraakt.
Is er voor de aandeelhouders, waarover de rechtbank in de bestreden beschikking spreekt, in materieel- en procesrechtelijk opzicht ruimte om op te komen tegen het tot de verificatie toelaten van schuldvorderingen, die door de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen waren geplaatst zonder dat zij daartoe bij hem op de voet van artikel 110 Fw Pro zijn ingediend?
( [19] )
Slotsom inzake het principale cassatieberoep
naar aanleiding van het door [verweerster 1] ingestelde hoger beroeptegen de beslissing van de rechter-commissaris om de schuldvorderingen, die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst, tot de verificatie toe te laten, wordt daartegen om de hierboven sub 2.3 t/m 2.15.3 uiteengezette redenen door de Curator in cassatie tevergeefs opgekomen. De belangrijkste redenen zijn: indien er nog iets van het onder het tweede faillissement van [verweerster 1] vallende vermogen resteert na volledige voldoening van de met inachtneming van de wettelijke bepalingen geverifieerde schuldvorderingen, behoort dat restant aan [verweerster 1] toe; daarmee heeft [verweerster 1] een gerechtvaardigd belang bij naleving van artikel 110 Fw Pro bij de verificatie van de schuldvorderingen van de schuldeisers; tegen de schending van dat belang door de rechter-commissaris met zijn toelatingsbeslissing kan [verweerster 1] in hoger beroep bij de rechtbank opkomen. Een en ander geldt onder het voorbehoud dat de faillissementswet toelaat dat een tweede verificatievergadering wordt gehouden, zoals door de rechtbank bevolen. Dat punt komt aan de orde hieronder bij de bespreking van het incidenteel cassatieberoep.
naar aanleiding van het door de indirecte aandeelhouders ingestelde hoger beroeptegen de beslissing van de rechter-commissaris om de schuldvorderingen, die de Curator op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen had geplaatst, tot de verificatie toe te laten, komt de Curator daartegen om de hierboven sub 2.16 t/m 2.18 uiteengezette redenen in cassatie terecht op. De belangrijkste reden is dat bij de indirecte aandeelhouders geen sprake is van een belang tot bescherming waarvan artikel 110 Fw Pro strekt.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep.
( [20] )