Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
exceptio non adimpleti contractus) verworpen in rov. 4.10.4 - 4.10.9.
onderdeel Ihebben alleen betrekking op het verweer genoemd onder (ii). Eurostrip brengt dit in verband met hetgeen het hof in rov. 4.8.2 heeft overwogen, te weten:
middelonderdeel IIIis de beslissing van het hof om deze grief in behandeling te nemen onbegrijpelijk, omdat de curator de grief slechts voorwaardelijk had voorgedragen en de daarbij gestelde voorwaarde niet is vervuld. Ter toelichting voert Eurostrip aan dat Newa de grief had voorgedragen onder de voorwaarde dat het hof “een of meerdere grieven van Eurostrip gegrond mocht bevinden en op grond daarvan uw Hof aan het antwoord op de vraag toekomt wat Newa had moeten leveren en of zij daarin blijvend toerekenbaar is tekortgeschoten” [8] .
petitumvan de inleidende dagvaarding was inderdaad sprake van de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro. Indien het hof aan deze wettelijke vertragingsrente heeft gedacht, blijft inderdaad onverklaard hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat de wettelijke rente aanmerkelijk hoger is dan de contractuele rente die overeenkomstig de FME-voorwaarden verschuldigd is [9] . Ingevolge art. X lid 4 van de FME-voorwaarden zou een vertragingsrente zijn verschuldigd van 4 punten boven het promesso-disconto van de Nederlandse Bank. De wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro bedroeg per 1 januari 2001 8% per jaar; in februari 2007 bedroeg zij 6%. Daarmee rijmt niet het oordeel van het hof dat de wettelijke rente in februari 2007 aanmerkelijk hoger was dan het door het hof genoemde percentage van 7,57.
3.Bespreking van het incidenteel middel
uitkomstvan het TNO-onderzoek. Dat laat onverlet dat het hof op grond van het gezamenlijk opdrachtgeverschap partijen gebonden heeft kunnen achten om de reeds gemaakte
kostenvoor het TNO-onderzoek te delen. De klachten van het middelonderdeel stuiten hierop af.