AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging en terugwijzing wegens niet-naleving van art. 51 Sv in hoger beroep
Bij arrest van 27 augustus 2012 bevestigde het Gerechtshof 's-Gravenhage een vonnis van de Rechtbank Rotterdam waarbij verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 180 uren voor twee Opiumwetdelicten en diefstal in vereniging.
De verdachte stelde in cassatie dat het Hof niet had onderzocht of zijn raadsman was opgeroepen voor de terechtzitting van 7 mei 2012 en de nadere terechtzitting van 13 augustus 2012. De Hoge Raad overwoog dat indien uit het dossier blijkt dat de verdachte rechtsbijstand had, de raadsman als zodanig erkend moet worden en dat de rechter zich ervan moet vergewissen dat art. 51 SvPro is nageleefd.
Uit het proces-verbaal bleek dat de raadsman niet was opgeroepen voor de nadere terechtzitting en dat het Hof geen onderzoek had gedaan naar zijn afwezigheid. Ook ontbrak bewijs dat de raadsman een afschrift van de dagvaarding of oproeping had ontvangen. De Hoge Raad stelde dat de niet-naleving van art. 51 SvPro leidt tot nietigheid van de behandeling in hoger beroep.
De middelen van cassatie slaagden, het arrest werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen naar het Hof voor nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof is vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 Sv en de zaak is terugverwezen voor nieuwe berechting.
Conclusie
Nr. 12/04334
mr. Jörg
Zitting 21 januari 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 27 augustus 2012 heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage een vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 7 april 2011 bevestigd, waarbij de verdachte tot een werkstraf van 180 uren werd veroordeeld wegens twee Opiumwetdelicten en diefstal in vereniging met verbreking.
2. Namens de verdachte heeft mr O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgedragen.
3. Het eerstemiddel bevat de klacht dat niet blijkt dat het Hof ter terechtzitting van 7 mei 2012 heeft onderzocht of de raadsman voor die zitting was opgeroepen. Het tweedemiddel bevat de klacht dat niet blijkt dat de raadsman is opgeroepen voor de nadere terechtzitting. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, LJN ZD2182, NJ 2001/ 161). Aangezien de raadsman een – in het dossier aanwezige - appelschriftuur heeft ingediend bij de Rechtbank Rotterdam geldt dat hij als raadsman had behoren te worden erkend en behandeld. Een goede procesorde brengt mee dat in zo een geval de rechter, nadat de zaak is uitgeroepen het onderzoek ter terechtzitting pas voortzet nadat hij zich ervan heeft vergewist dat het voorschrift van art. 51 SvPro is nageleefd, dan wel zich een toelaatbare (maar in casu niet aanwezige) uitzondering daarop voordoet.
5. Een aanwijzing dat het Hof anders heeft gehandeld ligt reeds besloten in een van de slotpassages van het proces-verbaal van de regiezitting op 7 mei 2012, waar de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting op 13 augustus 2012 werd bevolen, maar niet die van de raadsman. Uit dat proces-verbaal blijkt niet van inspanningen van het Hof om, na de constatering door de voorzitter dat de verdediging een appelschriftuur heeft ingediend, onderzoek te doen naar de afwezigheid van de verdediging.
6. In het dossier heb ik voorts geen gegeven aangetroffen waaruit blijkt dat aan de raadsman een afschrift van de dagvaarding resp. oproeping voor de terechtzitting van 7 mei resp. 13 augustus 2012 is verstuurd. Het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift van art. 51, tweede zin, Sv is van zo grote betekenis dat, al wordt dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Dit brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt.
7. De middelen slagen, hetgeen meebrengt dat het arrest niet in stand kan blijven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden