ECLI:NL:PHR:2014:1724

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2014
Publicatiedatum
8 september 2014
Zaaknummer
13/04819
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 457 SvArt. 471 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens persoonsverwisseling bij aanhouding en verhoor

De aanvrager is bij arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Deze veroordeling is onherroepelijk geworden na verwerping van het cassatieberoep door de Hoge Raad. De aanvraag tot herziening is gebaseerd op de stelling dat bij de aanhouding op 2 juni 2008 een ander, de broer van de aanvrager, zich voor hem heeft uitgegeven omdat hij een openstaande straf had.

De aanvraag bevat verklaringen van betrokkenen die bevestigen dat de broer van de aanvrager zich heeft voorgedaan als de aanvrager bij de aanhouding. Proces-verbaal van bevindingen en verhoren tonen dat de verbalisant niet met zekerheid kan zeggen of de aangehouden persoon daadwerkelijk de aanvrager was. Ook verschillen de handtekeningen op het proces-verbaal van verhoor van 2008 en het latere verhoor van de aanvrager aanzienlijk.

Gezien deze feiten en het vermoeden van persoonsverwisseling, concludeert de Hoge Raad dat indien deze gegevens bij het hof bekend waren geweest, dit tot vrijspraak had kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem voor behandeling conform de wettelijke bepalingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem.

Conclusie

Nr. 13/04819H
Zitting: 1 juli 2014 (bij vervroeging)
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Bij arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 april 2010 met parketnummer 20/001997-09 is de aanvrager wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts is de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast. Aangezien bij arrest van 20 november 2012 het beroep in cassatie tegen deze uitspraak door de Hoge Raad is verworpen, is de veroordeling onherroepelijk geworden.
2. Namens de aanvrager heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, een aanvrage tot herziening van voornoemd arrest van het Hof ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat een ander, te weten [betrokkene 1] (de broer van aanvrager) zich op 2 juni 2008 bij zijn aanhouding voor de aanvrager heeft uitgegeven, omdat hij op dat moment een opgelegde straf ter executie had openstaan. De aanvraag is voorzien van een aantal bijlagen.
4. Voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang, zijn bij de aanvraag de volgende stukken gevoegd:
(i) een kopie van een ondertekend schrijven van [betrokkene 1] d.d. 4 oktober 2013, waarin hij verklaart dat hij op 2 juni 2008 de personalia van zijn broer, [aanvrager] heeft opgegeven, omdat hij op dat moment een opgelegde straf ter executie had openstaan;
(ii) een kopie van een ondertekend schrijven van [betrokkene 2] d.d. 26 september 2013, waarin hij verklaart dat hij op 2 juni 2008 bestuurder was van de personenauto, waarin de aangehouden persoon zich bevond, en dat niet [aanvrager] zich als passagier in de auto bevond, maar zijn broer [betrokkene 1].
5. In mijn schrijven van 17 december 2013 en 8 april 2014 heb ik het College van Procureurs-Generaal het volgende verzocht:
- zowel [aanvrager] als [betrokkene 1] opnieuw te doen horen door een verbalisant die bij de aanhouding of het verhoor van de verdachte aanwezig is geweest zodat deze in het door hem/haar op te maken proces-verbaal zal kunnen relateren of hij/zij [aanvrager] dan wel [betrokkene 1] als de bedoelde verdachte herkent;
- na te gaan of de aangehouden persoon zich ten tijde van de aanhouding respectievelijk het verhoor op enigerlei wijze heeft gelegitimeerd;
- na te gaan of [betrokkene 1] op 2 juni 2008 opgelegde straffen ter executie had openstaan;
- [betrokkene 2] te horen.
6. Op 28 maart 2014 ontving ik van de politie Zeeland-West-Brabant een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2014, voor zover van belang, inhoudende (i) dat [betrokkene 1] op 20 maart 2014 als getuige is gehoord en verklaarde dat hij op 2 juni 2008 is aangehouden ter zake het bezit van hennep en bij het onderzoek en het verhoor de naam van zijn broer heeft opgegeven en (ii) dat [aanvrager] op 20 maart 2014 als getuige is gehoord en verklaarde niets van het voorval van 2 juni 2008 af te weten. Beide processen-verbaal van verhoor zijn bij dit proces-verbaal gevoegd. Voorts houdt het proces-verbaal in (iii) dat de verbalisant, [verbalisant], de persoon die opgaf te zijn [aanvrager] destijds heeft verhoord en dat hij thans niet kan aangeven of de persoon die op 2 juni 2008 is aangehouden en door hem is verhoord inderdaad [aanvrager] was. Op 20 juni 2014 heb ik ontvangen een proces-verbaal van politie d.d. 22 mei 2014, inhoudende als relaas van de verbalisant dat de politie [betrokkene 2] niet heeft kunnen traceren en horen. Voorts houdt dit proces-verbaal als relaas van de verbalisant in dat [betrokkene 1] op 2 juni 2008 een gevangenisstraf van 166 dagen had openstaan en op dat moment landelijk stond gesignaleerd.
7. Bij de processtukken bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van een persoon die opgaf te zijn [aanvrager], opgemaakt op 2 juni 2008 door de hiervoor genoemde verbalisant, [verbalisant]. Dit proces-verbaal is voorzien van een handtekening van de verdachte, die aanzienlijk verschilt van de handtekening die [aanvrager] heeft geplaatst onder het hiervoor genoemde proces-verbaal van verhoor van 20 maart 2014. Volgens dit proces-verbaal werd [aanvrager] gehoord om 16.56 uur.
8. Bij de processtukken bevindt zich eveneens een proces-verbaal van verhoor van een persoon die opgaf te zijn [betrokkene 2], opgemaakt op 2 juni 2008 door de hiervoor genoemde verbalisant, [verbalisant]. [betrokkene 2] noemt de persoon met wie hij is aangehouden, in dit verhoor [aanvrager]. Volgens dit proces-verbaal werd [betrokkene 2] gehoord om 17.08 uur, dus na de persoon die had opgegeven te zijn [aanvrager].
9. Volgens het hiervoor genoemde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], opgemaakt op 20 maart 2014 door de hiervoor genoemde verbalisant, [verbalisant], herinnert [betrokkene 1] zich nog goed dat hij samen met [betrokkene 2] is aangehouden, heeft hij zich uitgegeven voor zijn broer omdat hij nog een vrijheidsstraf had openstaan en heeft hij, toen [betrokkene 2] en hij vast zaten, in het Marokkaans naar [betrokkene 2] geroepen dat deze hem [aanvrager] moest noemen. Daarmee kan worden verklaard waarom [betrokkene 2], die is gehoord na de persoon die opgaf te zijn [aanvrager], de met hem aangehouden persoon [aanvrager] noemde.
10. Nu [betrokkene 1] op het moment van aanhouding inderdaad wegens een openstaande straf stond gesignaleerd, de handtekening onder het proces-verbaal van verhoor van 2 juni 2008 van de persoon die opgaf te zijn [aanvrager] op het eerste gezicht aanzienlijk verschilt van de handtekening van [aanvrager] onder het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 20 maart 2014, [aanvrager] zich blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2014 heeft gelegitimeerd met een op zijn naam gesteld Nederlands paspoort en de verbalisant deze legitimatie heeft gecontroleerd, alsmede [betrokkene 2] een op het eerste gezicht niet onaannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat [betrokkene 2] hem tegenover de politie [aanvrager] heeft genoemd, rijst er een ernstig vermoeden dat indien deze gegevens bij het Hof bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak, zoals bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 april 2010 zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 471, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG