ECLI:NL:PHR:2014:1729

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2014
Publicatiedatum
16 september 2014
Zaaknummer
14/01904
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 6:98 BWArt. 6:162 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken partijstelling en ontoerekenbaarheid schade

In deze zaak staat centraal of verweerster onrechtmatig heeft gehandeld door in haar boeken te vermelden dat eiseres werkzaamheden verrichtte voor sekstelefoondiensten van verweerster. Het hof oordeelde dat eiseres onvoldoende had gesteld dat verweerster redelijkerwijs had moeten begrijpen dat deze vermelding onjuist was, mede omdat belastingdienst en strafrechter hadden vastgesteld dat eiseres die werkzaamheden daadwerkelijk had verricht.

Het cassatieberoep van eiseres is tijdig ingesteld, maar zij kan niet worden ontvangen omdat verweerster feitelijk geen partij was in de procedure. Daarnaast loopt het beroep stuk op art. 80a lid 1 RO, omdat de schade niet op de voet van art. 6:98 BW Pro toerekenbaar is aan verweerster.

Het hof baseerde zijn oordeel op meerdere gronden, waaronder dat bij verondersteld onrechtmatig handelen en schade toerekening niet mogelijk is, waardoor geen verklaring voor recht kan worden toegewezen. De klachten van eiseres dat het voldoende zou zijn dat schade mogelijk is, faalden. De conclusie is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van partijstelling en ontoerekenbaarheid van de schade.

Conclusie

14/01904
mr. J. Spier
Zitting 20 juni 2014
art. 80a Conclusie inzake
[eiseres]
tegen
[verweerster]
1. Het gaat in deze zaak om de vraag of
[verweerster]onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door – kort gezegd – in haar boeken te vermelden dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht voor de sekstelefoondiensten van [verweerster].
2. Het cassatieberoep tegen ’s Hofs arrest van 7 januari 2014 is tijdig ingesteld. [eiseres] kan daarin evenwel niet worden ontvangen omdat [verweerster] in feitelijke aanleg geen partij was. Ware dat anders, dan loopt het beroep stuk op art. 80a lid 1 RO.
3. Het Hof heeft zijn oordeel op een aantal zelfstandig dragende gronden gebaseerd. Eén daarvan is dat de schade als gevolg van een veronderstellenderwijs aangenomen onrechtmatig handelen niet op de voet van art. 6:98 BW Pro zou kunnen worden toegerekend (rov. 4 zesde volzin).
4.1 Tegen ’s Hofs onder 3 vermelde oordeel komt het middel onder 29 en 30 op met de klacht dat voor de gevorderde verklaring voor recht voldoende is dat aannemelijk is dat mogelijk is dat [eiseres] schade lijdt. Die klacht faalt. Als, bij veronderstellenderwijs aangenomen onrechtmatig handelen en schade, toerekening niet mogelijk zou zijn, is voor de gevorderde verwijzing naar een schadestaatprocedure geen plaats.
4.2 Anders ook dan het middel wil doen geloven, heeft het Hof niet geoordeeld dat [eiseres] “de toerekenbaarheid aan [verweerster]” moet bewijzen, nog daargelaten dat [eiseres] daarbij kennelijk doelt op toerekening in de zin van art. 6:162 lid 3 BW Pro, terwijl het Hof klaarblijkelijk doelt op toerekening in de zin van art. 6:98 BW Pro; eerstgenoemde toerekening komt in de daaraan voorafgaande volzin aan bod door het tussen haakjes plaatsen van “toerekenbaar”.
5. Ten overvloede: eveneens in rov. 4 brengt het Hof, geparafraseerd en naar de kennelijke strekking weergegeven, het volgende tot uitdrukking. [eiseres] heeft in de gegeven omstandigheden onvoldoende gesteld waaruit valt af te leiden dat [verweerster] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat hetgeen hij met betrekking tot [eiseres] in zijn boeken zette onjuist was. Onbegrijpelijk is dat oordeel zeker niet nu zowel de belastingdienst als de strafrechter in twee instanties klaarblijkelijk tot de slotsom zijn gekomen dat [eiseres] inderdaad de betrokken werkzaamheden heeft verricht; zie rov. 1. De onder 24 – 28 verwoorde klachten miskennen deze gedachtegang; zij lopen daarop stuk.
6. Bij deze stand van zaken behoeven de overige klachten, voor zover al begrijpelijk, geen bespreking.
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal