Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak betreft het een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die een machtiging tot voortgezet verblijf heeft verleend op grond van artikel 15 van Pro de Wet Bopz. De verzoeker heeft via een faxbericht laten weten beroep in cassatie te willen instellen, maar heeft geen verzoekschrift ingediend dat door een advocaat is ondertekend, zoals vereist volgens artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Het cassatieverzoek bevatte geen omschrijving van de cassatiemiddelen en voldeed daarmee niet aan de formele vereisten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieverzoek.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieverzoek niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een door een advocaat ondertekend verzoekschrift en het niet voldoen aan de inhoudelijke eisen van artikel 426a Rv.
Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een door een advocaat ondertekend verzoekschrift en het niet voldoen aan de inhoudelijke eisen.