Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair) Tatra Wood niet bevoegd was tot vestiging van het met de pandovereenkomst van maart 2007 beoogde onvoorwaardelijk pandrecht, terwijl Rabobank niet te goeder trouw was (art. 3:238 BW Pro), en (
subsidiair) indien in die overeenkomst een verpanding bij voorbaat zou moeten worden gelezen, het voorwaardelijke pandrecht van Rabobank niet door het enkele voornemen tot betaling van Rabobank transformeert tot een onvoorwaardelijk pandrecht en voorts de totstandkoming van een pandrecht afstuit op art. 35 lid 2 Fw Pro. Nu derhalve geen geldig pandrecht tot stand is gekomen, was de executoriale verkoop onrechtmatig. Deze verkoop heeft de curator de mogelijkheid ontnomen om de desbetreffende zaken door betaling van de betrekkelijk geringe resterende koopsom voor de boedel te verwerven en ten behoeve van alle crediteuren te gelde te maken. Bij wijze van schadevergoeding dient Rabobank de opbrengst van de verkochte activa aan de (boedel van) Tatra Wood terug te betalen, aldus de curator. [20]
primair,(i) dat ook volgens de eigen stellingen van de curator – dat Tatra Wood als gevolg van het eigendomsvoorbehoud nimmer eigenaar is geworden van de activa – geen sprake kan zijn van een onrechtmatige verkoop jegens Tatra Wood, noch van schade [21] , (ii) dat Tatra Wood (wel) een pandrecht onder voorwaarde kon vestigen, waarbij art. 35 lid 2 Fw Pro niet aan de orde is [22] , en (iii) dat de bank op het tijdstip van het in vuistpand geven erop mocht vertrouwen dat Tatra Wood inmiddels door betaling beschikkingsbevoegd was geworden (art. 3:238 BW Pro) [23] . Voorts heeft Rabobank
subsidiairaangevoerd (iv) dat mr. Terng, gelet op de mailwisseling van 26 november 2007, afstand heeft gedaan van het eigendomsvoorbehoud, zodat een geldig stil pandrecht is ontstaan [24] , en
meer subsidiair(v) dat het actief reeds bezwaard was met het eerder door [A] aan Rabobank verleende pandrecht. [25]
2.Beoordeling van het principale cassatieberoep
onvoorwaardelijke verpanding door Tatra Wood van de onder het eigendomsvoorbehoud vallende zaken, zodat bij gebreke van beschikkingsbevoegdheid geen geldig pandrecht tot stand is gekomen. Daarop heeft Rabobank gereageerd met de (primaire) stelling dat zij er in ieder geval ten tijde van het in vuistpand geven, op 2 november 2007, vanuit mocht gaan dat betaling had plaatsgevonden, zodat zij een pandrecht verkreeg op grond van derdenbescherming (art. 3:238 BW Pro).
Subsidiairheeft Rabobank zich echter op het standpunt gesteld dat Tatra Wood een stil pandrecht onder voorwaarde heeft gevestigd, zodat met en door de afstand van het eigendomsvoorbehoud op 26 november 2007 een geldig pandrecht is ontstaan. [36]
primairegrondslag gerichte grieven (VI en VII) onder meer aangevoerd dat, zo geen goede trouw kan worden aangenomen, het op 2 november 2007 beoogde vuistpand als gevolg van de als afstand van voorbehouden eigendom te kwalificeren afspraak tussen mr. Terng q.q. en Rabobank d.d. 26 november 2007 alsnog door convalescentie op de voet van art. 3:58 BW Pro tot stand is gekomen. [37] Deze stellingen heeft het hof gehonoreerd.
subsidiairegrondslag voor haar pandrecht, te weten dat zij vanaf maart 2007 beschikte over een voorwaardelijk pandrecht dat als gevolg van de afstand van het eigendomsvoorbehoud is uitgegroeid tot een onvoorwaardelijk pandrecht. [38]
vorderingop de verkrijger niet op een andere wijze (zoals door verrekening of inbetalinggeving) tenietgaat. Het (enkele) doen van afstand van het eigendomsvoorbehoud heeft niet het tenietgaan van de vordering op de verkrijger tot gevolg, en daarmee ook geen bevrediging van de schuldeiser als bedoeld in art. 3:92 lid 3 BW Pro, aldus het onderdeel. Een en ander vitieert ook de voortbouwende oordelen dat afstand meebrengt dat Tatra Wood alsnog beschikkingsbevoegd is geworden om de zaken in vuistpand te geven (rov. 3.16) en dat Rabobank alsnog een geldig vuistpand heeft gekregen (rov. 3.16, slot).
Rabobank– zijnde een derde – over en weer hebben verklaard, mochten begrijpen en mochten verwachten. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus miskend dat voor de vraag of de vervreemder onder eigendomsvoorbehoud afstand van het eigendomsvoorbehoud heeft gedaan, bepalend is wat hij en de
verkrijger onder eigendomsvoorbehoud– in casu: Tatra Wood – over en weer hebben verklaard, mochten begrijpen en mochten verwachten.
subonderdeel 3.1op gewezen dat – naar de curator heeft aangevoerd – (i) uit de correspondentie van 23 en 26 november 2007 en de brief van 24 december 2007 niet blijkt dat mr. Terng q.q. op 26 november 2007 afstand heeft gedaan van het eigendomsvoorbehoud, maar hooguit dat mr. Terng q.q., uitgaande van een onrechtmatige executieverkoop, ermee heeft ingestemd dat de resterende vordering door Rabobank uit de executieopbrengst zou worden voldaan, en (ii) dat mr. Terng q.q. zich op 29 januari 2008 nog heeft beroepen op zijn eigendomsvoorbehoud, hetgeen impliceert dat hij nog geen afstand van eigendomsvoorbehoud had gedaan. De verklaring van mr. Terng van 15 juni 2009 kan hieraan niet afdoen. In ieder geval, zo klaagt
subonderdeel 3.2, heeft het hof met zijn kennelijke oordeel dat mr. Terng
onvoorwaardelijkafstand heeft gedaan van het eigendomsvoorbehoud, in strijd met art. 24 Rv Pro de grondslag van het verweer van Rabobank aangevuld, althans in het licht van de stellingen van Rabobank een onbegrijpelijk oordeel gegeven, waartoe wordt aangevoerd dat Rabobank steeds heeft gesteld dat de afstand voorwaardelijk is geschied. Indien het hof wel is uitgegaan van een voorwaardelijke afstand, geeft zijn oordeel in rov. 3.16 dat de instemming met het vuistpand meebracht dat Tatra Wood alsnog beschikkingsbevoegd is geworden om de zaken in vuistpand te geven, blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het, althans zonder nadere motivering, niet begrijpelijk, aldus het subonderdeel. Daartoe wordt aangevoerd dat de curator heeft gesteld dat de betaling niet voor de executoriale verkoop en zelfs niet voor de faillietverklaring van Tatra Wood heeft plaatsgevonden.
Subonderdeel 4.1berust hierbij op de lezing dat het hof is uitgegaan van de totstandkoming van een geldig gevestigd vuistpand op en een bevoegdelijke executieverkoop van
aan Tatra Wood toebehorendezaken, en klaagt dat het hof aldus heeft miskend dat instemming van een vervreemder onder eigendomsvoorbehoud met verpanding door de verkrijger slechts kan leiden tot beschikkingsbevoegdheid tot verpanding van aan
de vervreemder onder eigendomsvoorbehoudtoebehorende zaken.
Subonderdeel 4.2gaat er vanuit dat Rabobank in de visie van het hof door de instemming van mr. Terng een geldig vuistpand heeft verkregen op
aan de boedel van mr. Terng q.q. toebehorendezaken, en klaagt dat het hof in dat geval buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu Rabobank het bestaan van een dergelijk derdenpandrecht niet aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd, en het hof in dat geval tevens heeft miskend dat de tussen Tatra Wood en Rabobank in maart 2007 en op 2 november 2007 gesloten overeenkomsten voor deze verpanding geen geldige titel vormen, althans niet toereikend heeft gemotiveerd waarin daarvoor wel een geldige titel zou zijn gelegen.
Subonderdeel 4.3berust op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat door de instemming het eigendomsvoorbehoud van mr. Terng q.q. is komen te vervallen (en Tatra Wood daardoor beschikkingsbevoegd werd om over
haarzaken te beschikken), en klaagt dat dit oordeel in het licht van de in onderdeel 3.1 onder (i) en (ii) aangeduide stellingen van de curator nadere motivering onbegrijpelijk is.
aan Tatra Wood toebehorendezaken. Het hof spreekt immers slechts van (beschikkings)bevoegdheid van Tatra Wood tot verpanding van “de litigieuze zaken”, zonder zich uit te laten over de vraag aan wie die toebehoren.
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof heeft miskend dat convalescentie ingevolge art. 3:58 BW Pro vereist dat alle onmiddellijk belanghebbenden de ongeldige handeling als geldig hebben aangemerkt in de tussen de handeling en de vervulling van het geldigheidsvereiste liggende tijdsruimte. Het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het zijn oordeel omtrent het ‘als geldig aanmerken’ gebaseerd heeft op de afspraken tussen mr. Terng en Rabobank op 26 november 2007. Die afspraken over het doen van afstand van eigendomsvoorbehoud en/of het instemming met het vuistpand en de executieveiling brengen volgens het subonderdeel immers nog niet (zonder meer) mee dat betrokkenen de verpanding in de tussentijd als geldig hebben aangemerkt. Voor zover het hof verwijst naar andere gedragingen van de belanghebbenden is zijn oordeel zonder nadere motivering niet inzichtelijk. Volgens
subonderdeel 5.2impliceert het emailbericht van mr. Terng van 23 november 2007 – waarin hij een beroep deed op het eigendomsvoorbehoud – evenals de daarop volgende afspraken met Rabobank juist dat mr. Terng en Rabobank het vestigen van het vuistpandrecht niet als geldig aanmerkten.
Subonderdeel 6.1voert daartoe aan dat het hof de stelling van de curator dat “geen geldig pandrecht [is] gevestigd en […] Rabobank in deze aangelegenheid geen beroep [kan] doen op haar algemene voorwaarden betreffende haar positie als pandhouder” ten onrechte althans zonder voldoende motivering blijkens rov. 3.18 heeft opgevat als zou de curator hebben verdedigd dat de pandvoorwaarden niet geldig zouden zijn en dat daarom deze algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. De curator heeft zich volgens het subonderdeel op het standpunt gesteld dat de Rabobank wegens het ontbreken van een geldig pandrecht niet kon worden aangemerkt als pandhouder die aan de algemene voorwaarden de bevoegdheid kon ontlenen (mede) namens Tatra Wood op te treden.
Subonderdeel 6.2verzet zich in het verlengde van subonderdeel 6.1 tegen rov. 3.17, eerste volzin.
Subonderdeel 7.1bouwt voort op onderdeel 6.
Subonderdeel 7.2voert aan dat Rabobank in hoger beroep tegenover de stellingen van de curator dat Rabobank (onder meer) (i) niet namens Tatra Wood beoogde op te treden, en (ii) indien dat wel het geval zou zijn geweest, kenbaar had moeten zijn dat zij in die hoedanigheid opereerde [55] , uitsluitend heeft gesteld dat Rabobank bevoegd was namens Tatra Wood op te treden en de afstand door mr. Terng geacht mocht worden te zijn gericht aan Tatra Wood. [56] Derhalve is volgens het subonderdeel het hof met zijn oordeel in rov. 3.19 buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Subonderdeel 7.3betoogt dat, voor zover de stellingen van Rabobank wel (mede) inhielden dat sprake was van kenbare vertegenwoordiging, zij van die stellingen, zijnde een bevrijdend verweer, ook de bewijslast draagt en het hof derhalve in het licht van de gemotiveerde betwisting van deze stellingen door de curator, niet dan na bewijslevering door Rabobank tot het oordeel had kunnen komen dat het verweer van Rabobank juist is, althans dat dit oordeel in dit licht onvoldoende is gemotiveerd.
Subonderdeel 7.4klaagt dat dit oordeel in het licht van de correspondentie tussen mr. Terng en Rabobank – waaruit niet blijkt dat Rabobank namens Tatra Wood optrad – en de verklaring van mr. Terng van 15 juni 2009 – waarin wordt vermeld dat mr. Terng “jegens de bank” en “enkel en alleen ten behoeve van de bank” afstand heeft gedaan van zijn eigendomsvoorbehoud – onbegrijpelijk is.
Subonderdeel 7.5verzet zich in het verlengde van de overige subonderdelen tegen rov. 3.17, eerste volzin.