Conclusie
Feiten en procesverloop
( [2] )) het bewind uit en vanaf 1 maart 2007 doet dat [de bewindvoerder] (hierna: [de bewindvoerder]), die al sedert maart 2005 haar mentor was.
( [3] )heeft de kantonrechter te Rotterdam aan NVL machtiging verleend om namens [eiseres] een schenking van SPF te aanvaarden.
( [4] )Op 20 april 2005 heeft zij op grond van deze koopovereenkomst de Stichting [A] aangewezen als ‘meester’. De kavel bouwgrond is op 29 april 2005 aan de Stichting [A] geleverd. De gemeente Zeist heeft de bouwplannen van de Stichting [A] afgewezen, waardoor de bouwplannen niet konden worden verwezenlijkt. De Stichting [A] heeft de bouwkavel op 16 oktober 2006 tegen een lagere prijs verkocht.
( [5] )mits met toestemming van de kantonrechter en het bewind over [eiseres]
( [6] ).”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [7] )Dat toezien werd haar (mede) mogelijk gemaakt doordat zij deel uitmaakte van het bestuur van Stichting [A]
( [8] )
( [9] )In dit verband is in aanmerking te nemen dat het beschermingsbewind niet moet worden beschouwd als een maatregel ‘tegen’ de rechthebbende, maar als een maatregel te zijnen behoeve: het bewind strekt ertoe hem hulp te bieden in verband met diens onvermogen, tijdelijk of blijvend, om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.
( [10] )Dit geeft mede aanleiding om onder ‘voldoende verzorging’ van de rechthebbende meer te begrijpen dan het voorzien in zijn eerste levensbehoeften als voedsel, kleding en huisvesting (levensonderhoud). Bij het beheer van het onder bewind gestelde vermogen kan ook rekening worden gehouden met buiten het terrein van het levensonderhoud en daarmee ook anders geaarde behoeften en wensen van de rechthebbende. Maar welke behoeften en wensen van de rechthebbende in welke mate door de bewindvoerder in het kader van de ‘voldoende verzorging’ in aanmerking zijn te nemen, valt verder moeilijk nauwkeurig aan te geven. Een en ander is vooral afhankelijk van de leefomstandigheden van de betrokken rechthebbende, zijn levensverwachting en de hem ten dienste staande financiële middelen.
( [11] )Schenken bestaat uit een zich binden tot beschikken en beschikken over een goed. Zoals hiervoor in 2.3.3 al opgemerkt, blijft de rechthebbende ten aanzien van de goederen die onder beschermingsbewind zijn gesteld, beschikkingsbevoegd, maar behoeft hij voor het beschikken en het zich verbinden daartoe de medewerking van de bewindvoerder. Deze laatste behoeft de medewerking van de rechthebbende, indien hij beschikkingshandelingen, die niet als een gewone beheersdaad zijn te beschouwen, met betrekking tot een onder beschermingsbewind gesteld goed wil verrichten (artikel 1:441, lid 2, sub a BW). Wordt de vereiste medewerking niet verkregen of is de rechthebbende niet in staat ter zake zijn wil te bepalen, dan kan de kantonrechter worden verzocht een machtiging te verlenen. De aanbevelingen die in het verband van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) met betrekking het meerderjarigenbewind zijn opgesteld, bevatten ook ‘Aanbevelingen inzake schenkingen’ (hoofdstuk D)
( [12] ). Deze aanbevelingen geven blijk van een terughoudende opstelling ten aanzien schenkingen. Zo wordt onder D.1 opgemerkt dat het veelgehoorde argument dat schenking een daad van goed vermogensbeheer is omdat de begiftigde zich successierecht bespaart, voor de kantonrechter geen goed argument behoort te zijn. Onder D.3 is opgenomen dat een verzoek om een machtiging voor een schenking namens een rechthebbende, die zijn wil niet kan bepalen, als hoofdregel zal worden afgewezen, indien er geen schenkingstraditie voorafgaand aan de instelling van het bewind kan worden aangetoond. Is er wel zo’n traditie (jaarlijkse donaties aan bepaalde goede doelen; periodieke gift aan kinderen van grotere omvang dan regulier verjaarscadeau) dan geeft instelling van het beschermingsbewind geen aanleiding om die traditie niet voort te zetten, tenzij er sprake is van een zodanige afname van het vermogen dat voortzetting van de traditie de toekomstige verzorging in gevaar brengt. Onder D.5 leest men dat in bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren omstandigheden van de hoofdregel kan worden afgeweken.
“aan de moeder van [eiseres] zijn (onderhouds-)uitkeringen gedaan, zonder voorafgaande schriftelijke afspraken, zonder overleg met [eiseres], zonder zekerheid van terugbetaling en zonder toestemming van de kantonrechter of de rechtbank; [A] noch [eiseres] hadden een juridische of morele verplichting om aan de moeder van [eiseres] bijstand te verlenen, in elk geval niet in de omvang waarin dat is geschied.”In rov. 2.10 beoordeelt het hof of die gedraging is te beschouwen als een tekortschieten jegens [eiseres] waarvoor NVL als bewindvoerder verantwoordelijk is te houden. De grond voor het verantwoordelijk houden van NVL is hierin gelegen dat NVL zich met die gedraging heeft verenigd, ook als lid van het bestuur van Stichting [A], een functie die zij bekleedde in verband met het haar toevertrouwde beschermingsbewind over het vermogen van [eiseres].
( [13] )Of die opstelling als een tekortschieten van NVL als bewindvoerder is te beschouwen, hangt hiervan af of die opstelling wel te verenigen is met wat NVL uit hoofde van dat beschermingsbewind behoorde te doen of na te laten.
( [14] )
( [15] )
( [16] )
“er zijn bedragen voor de moeder betaald, onder meer aan haar belastingadviseurs; het betreft buitensporig hoge declaraties van die belastingadviseurs.”Dit verwijt beoordeelt het hof in rov. 2.12 van het bestreden arrest. Aldaar overweegt het hof :
“Een bewindvoerder heeft niet slechts als taak om voor optimaal rendement van onder bewind gesteld vermogen zorg te dragen, hij mag zich ook laten leiden door hetgeen naar in redelijkheid mag worden aangenomen de rechthebbende (in dit geval [eiseres]) zou hebben gedaan indien deze in staat zou zijn geweest ten volle haar vermogens-rechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.”Hierboven is in 2.5 t/m 2.8 uiteengezet waarom dat oordeel onjuist voorkomt. Indien het oordeel inderdaad voor onjuist dient te worden gehouden, betekent dat dat het hof de verwerping van het hier aan de orde zijnde verwijt van [eiseres] inderdaad in zoverre van een onvoldoende onderbouwing heeft voorzien.
“(…), terwijl de uitgaven aan EJS op een buitensporig bedrag van € 131.553,56 uitkwamen.”Een uitlating in die zin treft men ook aan in het zelfde processtuk, sub 18.2 tweede gedachtestreepje, en in de schriftelijke pleitnota d.d. 26 januari 2011, sub 6.4. Maar wat daarvan ook zij, rov. 2.12 is zo te verstaan dat het hof van het buitensporig zijn van de declaraties slechts veronderstellenderwijs uitgaat. Het hof laat de juistheid van dit punt in het midden, want – zo oordeelt het – NVL kan van die buitensporigheid geen verwijt worden gemaakt en die buitensporigheid hoefde voor NVL ook geen reden te vormen om aan het beheer door Stichting [A] van de in elk geval materieel aan [eiseres] geschonken gelden een einde te maken, althans proberen te maken.