Conclusie
1.Feiten en procesverloop
ELISA), C-451/05, ECLI:EU:C:2007:594, Jurispr. 2007, p. I-8251, en HvJ EU 21 december 2011 (
Commissie/Polen), C-271/09, ECLI:EU:C:2011:855, Jurispr. 2011, p. I-13613, heeft verwezen. Anders dan de mrs. Van der Wiel en Van Aerde (overigens met verve) hebben betoogd, heeft het HvJ EU met die verwijzing
nietbedoeld voor de onderhavige zaak andere punten uit die arresten te releveren dan de genoemde punten 82 respectievelijk 58. De in punt 67 uitdrukkelijk genoemde vindplaatsen omvatten niet meer dan de in punt 67 herhaalde en alom bekende formule dat beperkingen van het vrije verkeer, alvorens zij als gerechtvaardigd kunnen gelden, geschikt moeten zijn om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder mogen gaan dan nodig is. Aldus strekt de verwijzing naar beide arresten slechts ertoe punt 67 van het prejudiciële arrest in het gezag van de eerdere rechtspraak van het HvJ EU te laten delen.
“de overige verboden”in verband met de daaraan verbonden beperkingen van het vrije kapitaalverkeer door dwingende vereisten van algemeen belang worden gerechtvaardigd.
“aandelen in een netbeheerder”) enerzijds, en (ii) het groepsverbod voor het overige (art. 10b lid 2, overig, en lid 3 Elektriciteitswet en art. 2c lid 2, overig, en lid 3 Gaswet), alsmede het verbod van nevenactiviteiten (art. 17 leden Pro 2-4 Elektriciteitswet; art. 10b leden 2-4 Gaswet) anderzijds. Waar volgens de Staat in de benadering van het HvJ EU het privatiseringsverbod samenvalt met het groepsverbod voor zover dat de verwerving van aandelen in Nederlandse netbeheerders verbiedt (art. 10b lid 2 Elektriciteitswet en art. 2c lid 2 Gaswet, voor zover betrekking hebbende op de
“aandelen in een netbeheerder”), zou óók voor de rechtvaardiging van het groepsverbod in laatstbedoelde zin volstaan dat de onderliggende doelstellingen die de wetgever met zijn keuze voor de regeling van het eigendomsrecht nastreeft, in aanmerking komen als dwingende vereisten van algemeen belang die de aan het privatiseringsverbod verbonden beperking van het vrije kapitaalverkeer rechtvaardigen. Bij die stand van zaken is, nog steeds volgens de Staat, met het prejudiciële arrest niet ieder belang aan de klachten van hoofdstuk 3 (in het bijzonder onderdeel 3.7) komen te ontvallen, nu daarin mede is geklaagd dat, ook indien het privatiseringsverbod niet door art. 345 VWEU Pro wordt gedekt, het privatiseringsverbod in elk geval is gerechtvaardigd en het groepsverbod, voor zover dat met het privatiseringsverbod samenvalt, niet aan een (zelfstandige) toetsing aan de regels over het vrije kapitaalverkeer behoeft te worden onderworpen (nadere schriftelijke toelichting mrs. Drijber en Van Wijk onder 3.4 en 4.3).
“de overige verboden”samenhangen, heeft onderscheiden. Naar het oordeel van het HvJ EU kunnen, wat het privatiseringsverbod betreft, de onderliggende doelstellingen die de wetgever met de gekozen regeling van het eigendomsrecht nastreeft, in aanmerking worden genomen als dwingende vereisten van algemeen belang om de beperking van het vrije kapitaalverkeer te rechtvaardigen. De in punt 68 en in het dictum onder 2 genoemde doelstellingen, te weten het voorkomen van kruissubsidiëring in ruime zin, het tegengaan van de uitwisseling van strategische informatie, het realiseren van transparantie op de elektriciteits- en gasmarkt en het voorkomen van concurrentieverstoring, heeft het HvJ EU vervolgens slechts met het oog op de rechtvaardiging van
“de overige verboden”als dwingende vereisten van algemeen belang beoordeeld (en in beginsel ook als zodanig geaccepteerd) [4] .
“de in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen die op het Nederlandse grondgebied elektriciteit of gas produceren, leveren of daarin handelen”en voor
“vennootschappen uit een andere lidstaat die onderdeel zijn van een groep waartoe een dergelijke onderneming behoort”(punt 35), is voor het HvJ EU aanleiding het privatiseringsverbod niet volledig aan de regels over het vrije kapitaalverkeer onttrokken te achten, maar een rechtvaardiging van dat verbod aan de hand van de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen te verlangen. In lijn met de opvatting dat het verbod van verwerving van aandelen in een Nederlandse netbeheerder onder het privatiseringsverbod valt, noemt het HvJ EU, na in punt 43 te hebben gereleveerd dat het privatiseringsverbod inhoudt dat
“geen enkele particuliere investeerder aandelen of deelnemingen in het kapitaal van een op het Nederlandse grondgebied actieve beheerder van elektriciteits- of gasdistributienetten mag verwerven”, het verbod van zodanige verwerving
nietin de punten 44-45 van het prejudiciële arrest, waarin de verschillende (relevante) aspecten van het groepsverbod en het verbod op nevenactiviteiten worden besproken.
“de overige verboden”spreekt, daarmee
nietmede het (volgens het HvJ EU onder het privatiseringsverbod vallende) verbod van verwerving van aandelen en deelnemingen in een Nederlandse netbeheerder bedoelt. Logischerwijs kan in het licht van punt 35 niet anders worden aangenomen dan dat een rechtvaardiging van het privatiseringsverbod het (óók voor in een andere lidstaat gevestigde rechtspersonen en vennootschappen geldende) verbod van verwerving van aandelen of deelnemingen in een Nederlandse netbeheerder mede dekt.
“(z)oals blijkt uit de in de feitelijke instanties gegeven voorbeelden (…), (…) in casu geen sprake (is) van een zuiver interne situatie, zodat omgekeerde discriminatie evenmin aan de orde kan zijn.”In mijn conclusie van 24 juni 2001 heb ik voorts reeds erop gewezen dat zonodig ook in cassatie, althans wat betreft de rechtsregel waarop een rechtsklacht berust, een aanvulling van rechtsgronden rechtens is toegestaan (en verplicht is) [5] .
verklaring voor rechtheeft gevorderd dat bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet met art. 63 VWEU Pro (vrij kapitaalverkeer) conflicteren en deswege onverbindend zijn. In de rechtspraak wordt niet steeds onderkend dat de mogelijkheden om een verklaring voor recht te vorderen, naar Nederlands recht beperkt zijn. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is een vordering van een verklaring voor recht, die uitsluitend ertoe strekt bij gewijsde het bestaan van een rechtsverhouding te doen vaststellen slechts toelaatbaar als de eiser belang erbij heeft dat zodanige de wederpartij bindende verklaring reeds dadelijk door de rechter wordt gegeven; daarbij geldt dat de rechter het aanwezig zijn van een dergelijk belang, als een
onmisbaarvereiste voor het bestaan van het recht op rechtsbescherming door rechtserkenning zonder meer, zonodig
ambtshalvemoet onderzoeken [6] . Deze rechtspraak heeft met de inwerkingtreding van art. 3:302 BW Pro (op grond waarvan de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding
onmiddellijkbetrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreekt [7] ) en art. 3:303 BW Pro haar gelding behouden, ook in die zin dat zich met betrekking tot een vordering, louter strekkende tot een verklaring voor recht, een uitzondering voordoet op de regel dat een voldoende belang van de eisende partij bij de vordering mag worden verondersteld [8] .
nieteraan in de weg dat zulke bepalingen in een louter interne situatie waaraan grensoverschrijdende aspecten ontbreken, toepassing vinden [9] . De uit de vrijverkeerbepalingen van de Unie (mogelijk) voortvloeiende “onverbindendheid” van nationale wetgeving is steeds in tweeërlei opzicht een
relatieve“onverbindendheid”, en wel in die zin dat zij slechts geldt (i)
in die situatieswaarin sprake is van een beperking van het vrije kapitaalverkeer en (ii)
jegens die justitiabele(n)voor wie die beperking zich voordoet. Het hof heeft de stelling van de Staat dat de hoedanigheid van Essent zich tegen toepasselijkheid van de regels over het vrije kapitaalverkeer verzet, in rov. 4.2 behandeld en verworpen, na in rov. 4.1 te hebben weergegeven in welke drie opzichten het vrije kapitaalverkeer volgens Essent zelf zou worden beperkt:
buitenlandse investeerdersen
Nederlandse netbeheerdersonder de in die rechtsoverweging nader omschreven omstandigheden door de bestreden bepalingen in hun mogelijkheden van grensoverschrijdend kapitaalverkeer beperkt. Essent is echter noch een buitenlandse investeerder, noch (naar onderdeel 4.2 overigens aanvoert) een Nederlandse netbeheerder. Essent is niet onmiddellijk betrokken bij de mogelijke conflicten met art. 63 (en art. 49) VWEU die zij aan de door haar gevraagde verklaring voor recht ten grondslag heeft gelegd en kan zich ter verkrijging van die verklaring voor recht dan ook niet op art. 63 (en art. 49) VWEU beroepen. Weliswaar hebben de mrs. Van der Wiel en Van Aerde in hun nadere dupliek onder 4.2 nog aangevoerd dat Essent wél onmiddellijk is betrokken omdat zij haar productie- en leveringsactiviteiten moest staken of haar netbeheerder moest verkopen, maar deze nadelen vormen geen beperkingen van het vrije kapitaalverkeer, en al helemaal geen beperkingen die Essent aan haar vordering (en het hof aan de bestreden verklaring voor recht) ten grondslag heeft gelegd. Het hof had zich zonodig ambtshalve ervan rekenschap moeten geven dat Essent niet rechtstreeks is betrokken bij de door haar zelf gestelde situaties waarin van een beperking van het vrije kapitaalverkeer sprake zou zijn en waarin de gewraakte bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet slechts jegens de daarbij wél betrokken netbeheerders en investeerders toepassing zouden missen. Voorts had het hof, dit een en ander onderkennende, de door Essent gevorderde verklaring voor recht dat artikelen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet wegens schending van art. 63 (en art. 49) VWEU onverbindend zijn, zonodig ambtshalve ontoelaatbaar moeten oordelen [10] .
nietin strijd met de zogenaamde
Rewe/Comet-doctrine [11] , die verbiedt dat de toepassing van een regel van nationaal procesrecht (zoals art. 3:302 BW Pro) de uitoefening van door het Unierecht verleende rechten (nagenoeg) onmogelijk maakt. Met dat betoog wordt voorbijgegaan aan de kern van het probleem dat zich hier voordoet. En die kern is, dat de uit het vrije kapitaalverkeer voortvloeiende rechten op de beperking waarvan Essent haar vordering baseert, nu juist niet aan Essent, maar aan Nederlandse netbeheerders en buitenlandse investeerders toevallen. Art. 3:302 BW Pro maakt de realisatie van enig
voor Essentuit het Unierecht voortvloeiende aanspraak niet (nagenoeg) onmogelijk.
a prioriaan een toetsing aan de bepalingen over het vrije kapitaalverkeer zou zijn onttrokken. Ook het privatiseringsverbod behoeft rechtvaardiging, waarbij echter de onderliggende doelstellingen die de wetgever met dat verbod nastreeft, als dwingende vereisten van algemeen belang in aanmerking kunnen worden genomen.
onderdeel 4.4ongegrond geacht, voor zover het klaagt dat art. 63 VWEU Pro zich niet uitstrekt tot potentiële belemmeringen van het kapitaalverkeer. Het prejudiciële arrest geeft mij geen aanleiding daarvan terug te komen. In punt 41 heeft het HvJ EU geoordeeld dat nationale maatregelen die het verwerven van aandelen in de betrokken ondernemingen
kunnenblokkeren of beperken, of investeerders uit andere lidstaten ervan
kunnenweerhouden in die ondernemingen te investeren, als “beperkingen” in de zin van art. 63 lid 1 VWEU Pro moeten worden aangemerkt. Voorts heeft het HvJ EU (in punt 47) de in de punten 43-46 besproken aspecten van het privatiseringsverbod, het groepsverbod en het verbod op nevenactiviteiten als (behoudens rechtvaardiging) verboden beperkingen van het vrije kapitaalverkeer in de zin van art. 63 VWEU Pro gekwalificeerd.
nietdirect of indirect aandelen in die netbeheerder houdt.
uit een andere lidstaat”.
onderdeel 5.1wordt in de onderdelen 5.2-5.22 nader uitgewerkt.
onderdelen 5.6 en 5.7betreffen de aan de lidstaten toekomende beoordelingsvrijheid om, binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel, zelf het niveau en de wijze van bescherming van dwingende redenen van algemeen belang te bepalen. In mijn eerdere conclusie heb ik (onder 4.69 en 4.71) betoogd dat het hof deze beoordelingsvrijheid uit het oog lijkt te hebben verloren en dat daarom beide onderdelen doel treffen. In het prejudiciële arrest zie ik geen aanleiding daarover thans anders te oordelen.
“valt (…) te prefereren”) de beoordelingsvrijheid van de nationale wetgever heeft miskend. Ook achtte en acht ik het onderdeel gegrond voor zover het klaagt dat het hof als bevestiging van de juistheid van zijn oordeel heeft gewezen op het uiteenlopende regime waaraan de Won een groep waarvan de netbeheerder deel uitmaakt, onderwerpt, al naar gelang daarin wel of geen energieactiviteiten plaatsvinden. Het behoort immers tot de beoordelingsvrijheid van de nationale wetgever om in het voor een dergelijke groep geldende regime te differentiëren, al naar gelang de mate van onwenselijkheid van kruissubsidiëring binnen de groep waarvan de netbeheerder deel uitmaakt.
maximumtarieven voor de aansluit- en transportkosten en met een naar geleverde energie en netbeheerdiensten gesplitste rekening.
onduidelijk, want niet voldoende gemotiveerd” heeft geacht wat het groepsverbod toevoegt aan het waarborgen van de leveringszekerheid.
in dat licht” (kennelijk tegen de achtergrond van hetgeen het hof in rov. 5.11 heeft overwogen) onbegrijpelijk is dat de directie van de netbeheerder zich zonder splitsing niet voldoende zou kunnen focussen op het beheer en onderhoud van de distributienetten. Zoals reeds uiteengezet in mijn eerdere conclusie (onder 4.93), meen ik dat het onderdeel gegrond is.
dreigingvan zodanige storingen in de distributienetwerken dat de openbare orde en veiligheid in het gedrang komen, ongegrond is, in die zin dat openbare veiligheid volgens de Europese jurisprudentie slechts kan worden aangevoerd in geval van een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarbij heb ik echter wel aangetekend dat het belang van leveringszekerheid kan worden opgevat als een dwingende reden van algemeen belang die binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel (zij het slechts) non-discriminatoire belemmeringen van het vrij kapitaalverkeer kan rechtvaardigen, óók zonder dat de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn. Voor deze opvatting biedt naar mijn mening het prejudiciële arrest steun, nu het HvJ EU daarin memoreert dat de (met het tegengaan van kruissubsidiëring mede nagestreefde) doelstelling om voor voldoende investeringen in het distributienet voor elektriciteit en gas te zorgen met name ertoe strekt de zekerheid van de energievoorziening te waarborgen en dat zulks een doelstelling is waarvan het HvJ EU heeft erkend dat zij een dwingend vereiste van algemeen belang vormt (punt 59).
4.Slotsom en verdere afdoening
anderepartijen dan Essent zouden leiden. Bij die stand van zaken zijn de betrokken bepalingen niet wegens strijd met art. 63 VWEU Pro
jegens Essentonverbindend en betreft de uitgesproken verklaring voor recht niet een (door onverbindendheid van artikelen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet bepaalde) rechtsverhouding waarbij Essent onmiddellijk is betrokken in de zin van art. 3:302 BW Pro. Daarom had het hof, dat zich ambtshalve rekenschap had te geven of aan de voorwaarden van art. 3:302 BW Pro was voldaan, de bestreden verklaring voor recht niet op vordering van Essent mogen uitspreken. De uitgesproken verklaring voor recht dient reeds om die reden te worden vernietigd, met bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 maart 2009, voor zover de daarbij afgewezen vordering van Essent op beweerde strijd met art. 63 VWEU Pro berustte.
jegens Essentniet voordoende) belemmerende effecten van het groepsverbod waarop het hof zich heeft gebaseerd, niet door het splitsingsgebod, maar door het verbod op wederzijds aandeelhouderschap van art. 10b leden 2 en 3 Elektriciteitswet 1998 en art. 2c leden 2 en 3 Gaswet worden veroorzaakt en het vrij kapitaalverkeer belemmerende effecten van het splitsingsgebod überhaupt niet zijn aangetoond. Het tegendeel is het geval: het splitsingsgebod heeft juist tot grensoverschrijdende kapitaaltransacties met betrekking tot andere energieactiviteiten dan netbeheer geleid.
“in aanmerking (kunnen) worden genomen als dwingende vereisten van algemeen belang”, kan dat betekenen dat het HvJ EU die doelstellingen als dwingende vereisten van algemeen belang heeft aanvaard. Dat zou overigens in lijn zijn met de punten 53-55 van het prejudiciële arrest, die erop wijzen dat het HvJ EU meer welwillend staat tegenover een absoluut privatiseringsverbod dan tegenover regelingen als die welke in de beide in punt 54 genoemde arresten aan de orde waren [13] . Het onderzoek waarbij de doelstellingen van de wetgever als dwingende vereisten van algemeen belang in aanmerking kunnen worden genomen, zou bij die stand van zaken nog slechts betrekking hebben op de geschiktheid en proportionaliteit van het privatiseringsverbod, derhalve op de vraag of de betrokken beperking van het vrije kapitaalverkeer geschikt is om de met het privatiseringsverbod nagestreefde doelstellingen te bereiken en niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking daarvan (vergelijk punt 67 met betrekking tot de rechtvaardiging van de beperkingen als gevolg van
“de overige verboden”zoals bedoeld in punt 56).
“(a)ls dwingende vereisten van algemeen belang (…) in beginsel de geconstateerde beperkingen van de fundamentele vrijheden rechtvaardigen”(punt 66).
“de overige verboden”zoals bedoeld in punt 56 heeft het HvJ EU nog geen finale beslissing gegeven. Aan het slot van punt 67 heeft het HvJ EU overwogen dat het (nog) aan de verwijzende rechter staat om, kort gezegd, de geschiktheid en proportionaliteit van
“de overige verboden”te beoordelen.
niethet geval is), zal de Hoge Raad moeten beslissen of hij het geding zelf zal afdoen. De standpunten van Essent en de Staat staan wat dat betreft diametraal tegenover elkaar.
nietals dwingende vereisten van algemeen belang kwalificerende) doelstellingen al heeft getoetst, kan die toetsing niet beslissend zijn, al was het maar omdat het hof daarbij een onjuist karakter en een onjuiste betekenis aan de betrokken doelstellingen heeft toegekend en zulks ook de geschiktheids- en proportionaliteitstoets (voor zover die al is uitgevoerd) vitieert.
en de overige (in eerste aanleg aangevoerde) argumenten en verweren van partijen(onderstreping toegevoegd; LK) stellen, in onderling verband gelezen, de volgende vragen aan de orde:
en het geschil tussen partijen(onderstreping toegevoegd; LK) behandelen aan de hand van een beoordeling van de hiervoor genoemde vragen.”
nietreeds tot de rechtsstrijd in hoger beroep heeft gerekend. Bij die stand van zaken kan de Hoge Raad of althans de rechter na verwijzing alsnog consequenties verbinden aan het ontbreken van een grief die tegen de afwijzing van een op strijd met art. 1 EP Pro betrekking hebbende verklaring voor recht is gericht. Naar ik thans meen (en anders dan ik in mijn eerdere conclusie op p. 80/81 vermeldde), kan Hoge Raad daaraan de consequentie verbinden dat, na een vernietiging van het bestreden arrest voor zover dit het Unierecht betreft, het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 maart 2009 in zijn geheel dient te worden bekrachtigd.