Conclusie
middelen 1 en 3zijn gericht tegen rov. 11, en meer in het bijzonder tegen de daarin voorkomende zinsnede
“die kennelijk eveneens in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld met alle financiële gevolgen van dien, thans financieel niet in staat is om de verplichting op zich te nemen financieel voor de vrouw te zorgen”. Naar de kern genomen betogen beide middelen dat de omstandigheid dat de nieuwe partner de vrouw financieel wellicht minder heeft te bieden dan de man (waarvoor overigens geen enkel bewijs is geleverd) aan toepassing van art. 1:160 BW Pro niet in de weg staat en dat de eis van wederzijdse verzorging niet impliceert dat de nieuwe partner van de vrouw tot financiële verzorging van de vrouw in staat moet zijn.
“financiële”verzorging, laat staan met financiële verzorging van de (oorspronkelijk) alimentatiegerechtigde door de nieuwe partner. Toch meen ik dat de middelen 1 en 3 klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. In haar verweerschrift in incidenteel appel, onder 4-5, heeft de vrouw aangevoerd dat haar nieuwe partner in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. De man heeft dat in de appelprocedure niet weersproken. Evenmin heeft hij (anders dan de beperkte financiële mogelijkheden van de nieuwe partner) in cassatie ter discussie gesteld dat (ook) het hof van een kennelijk nog lopende echtscheidingsprocedure van de nieuwe partner van de vrouw is uitgegaan. Nog daargelaten of de door de man aangevoerde omstandigheden, gelet op de restrictieve rechtspraak, de door hem gestelde samenleving “als waren zij gehuwd” kunnen dragen en nog daargelaten of het hof met de bestreden zinsnede niet louter heeft gerespondeerd op de door de man gesuggereerde en mede aan zijn beroep op art. 1:160 BW Pro ten grondslag gelegde financiële afhankelijkheid van de vrouw van haar nieuwe partner, staat aan toepassing van art. 1:160 BW Pro in de weg dat, naar in cassatie als uitgangspunt moet gelden, de nieuwe partner van de vrouw nog in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld en derhalve nog is gehuwd en dat die omstandigheid volgens recentelijk bevestigde rechtspraak van de Hoge Raad toepassing van art. 1:160 BW Pro uitsluit [1] . Bij die stand van zaken mist de man klaarblijkelijk belang bij de besproken klachten.
Middel 2klaagt dat het hof art. 1:157 BW Pro heeft geschonden omdat het de door de rechtbank aangenomen verdiencapaciteit van de vrouw volledig buiten beschouwing heeft gelaten.
tweede middelkan bij gebrek aan feitelijke grondslag klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw in eerste instantie vastgesteld op € 2.028,- netto per maand (p. 4, beschikking rechtbank 22 augustus 2013). Na te hebben overwogen dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van € 500,- bruto per maand, heeft de rechtbank de resterende behoefte van de vrouw bepaald € 1.512,- netto (€ 2.785,- bruto) per maand. Van deze bedragen (en dus mede van de door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit van de vrouw) is ook het hof uitgegaan, nu het in rov. 12 heeft overwogen dat
“(d)e behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man van € 2.785,- bruto per maand (…) in hoger beroep niet ter discussie (staat).”