ECLI:NL:PHR:2014:1815
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schending van het beginsel van hoor en wederhoor bij uitspraak in hoofdzaak en incident zonder mogelijkheid tot pleidooi
De zaak betreft een geschil tussen partijen die een affectieve relatie hadden en samenwoonden in een woning die zij in onverdeeld eigendom bezaten. Na het beëindigen van hun relatie verzocht de vrouw de man de woning te verlaten en medewerking te verlenen aan de verkoop ervan. De voorzieningenrechter gaf de vrouw gelijk en beval de man de woning te ontruimen en mee te werken aan de verkoop.
De man ging in hoger beroep tegen dit vonnis en stelde onder meer een incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof bekrachtigde het vonnis en wees op 15 oktober 2013 zowel in het incident als in de hoofdzaak arrest zonder de man de mogelijkheid te bieden zich nader uit te laten over de stukken die de vrouw bij memorie van antwoord had ingebracht.
De man stelde in cassatie dat het hof hiermee artikel 2.24 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPH) had geschonden en het beginsel van hoor en wederhoor had genegeerd. De Hoge Raad concludeert dat het hof het recht van partijen om zich uit te laten over de hoofdzaak heeft ontnomen en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug.
De Hoge Raad benadrukt dat het hof de man geen termijn van twee weken heeft gegeven om een akte of pleidooi te vragen na de memorie van antwoord, terwijl dit volgens art. 2.24 LPH verplicht was. Ook het feit dat het hof op dezelfde dag eindarrest wees in zowel het incident als de hoofdzaak was onvoorzien voor de man. Het hof erkende later de procedurele tekortkoming, maar stelde dat het oordeel niet op de betwiste stukken was gebaseerd. Dit redt de schending niet.
De uitspraak onderstreept het belang van het respecteren van procesreglementen en het beginsel van hoor en wederhoor, vooral bij gecombineerde incident- en hoofdzaakprocedures, om een eerlijk proces te waarborgen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van art. 2.24 LPH en het beginsel van hoor en wederhoor, en de zaak wordt terugverwezen.