ECLI:NL:PHR:2014:1818

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2014
Publicatiedatum
6 oktober 2014
Zaaknummer
14/04526
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 Wet BIGArt. 512 SvArt. 515 SvArt. 75 Wet BIGArt. 78 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieverzoek tegen wrakingsbeslissing Regionaal Tuchtcollege Gezondheidszorg

Verzoeker, werkzaam in loondienst, diende een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege Gezondheidszorg (RTG) tegen twee bedrijfsartsen over arbeidsongeschiktheid door ziekte. Tijdens de procedure wendde verzoeker zich tot het RTG met twee wrakingsverzoeken tegen de secretarissen, die door het RTG niet-ontvankelijk werden verklaard. Vervolgens richtte verzoeker zich tot de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met een verzoek tot vernietiging van deze beslissing, maar deze verklaarde zich onbevoegd.

Daarna stelde verzoeker een cassatieverzoek in bij de Hoge Raad. De procureur-generaal weigerde echter in cassatie te gaan in het belang der wet, waarna het verzoekschrift werd doorgezonden aan de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 515 lid 5 Sv Pro tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat, zodat het cassatieverzoek niet-ontvankelijk is.

Verzoekers beroep op artikel 75 Wet Pro BIG voor cassatie in het belang der wet wordt verworpen omdat dit alleen door de procureur-generaal kan worden ingesteld en geen wijziging van de rechtstoestand van partijen bewerkstelligt. De Hoge Raad wijst verzoeker op de mogelijkheid van hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. De conclusie is dat het cassatieverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: Het cassatieverzoek tegen de wrakingsbeslissing van het Regionaal Tuchtcollege Gezondheidszorg wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

14/04526
Mr. F.F. Langemeijer
26 september 2014
Conclusie inzake het cassatieverzoek van
[verzoeker]

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
De voorgeschiedenis kan worden samengevat als volgt:
a. Ten aanzien van verzoeker, die in loondienst werkzaam was, is de vraag gerezen of sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte en, zo ja, in welke mate. Verzoeker heeft procedures voor de burgerlijke rechter gevoerd tegen zijn werkgeefster [1] en tegen een keuringsarts [2] .
b. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft verzoeker bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (RTG) een met deze vraag verband houdende klacht ingediend tegen twee bedrijfsartsen.
c. Nadat een plaatsvervangend secretaris van het RTG op 24 oktober 2013 aan verzoeker een formulier had toegezonden waarin onder meer aan verzoeker toestemming werd verzocht voor het ten behoeve van de klachtbehandeling opvragen van medische informatie, heeft verzoeker bij brief van 31 oktober 2013 de voorzitter en de plaatsvervangend secretaris van het RTG gewraakt. Bij brief van 28 november 2013 heeft verzoeker een tweede plaatsvervangend secretaris van het RTG gewraakt.
d. Bij beslissing van 10 december 2013 [3] heeft het RTG verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in beide wrakingsverzoeken.
e. Bij brief van 30 december 2013 heeft verzoeker zich gewend tot de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) met het verzoek de onder d genoemde beslissing van het RTG in cassatie te vernietigen. Blijkens een schrijven van 6 januari 2014 namens de voorzitter van de Afdeling aan verzoeker, heeft de ABRvS zich onbevoegd geacht van dat verzoek kennis te nemen [4] .
1.2.
Bij brief van 5 maart 2014 heeft verzoeker zijn cassatieverzoek d.d. 30 december 2013 voorgelegd aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad. De procureur-generaal heeft hem te kennen gegeven geen beroep in cassatie in het belang der wet te zullen instellen. Overeenkomstig de wens van verzoeker is zijn verzoekschrift doorgezonden aan de (griffier van de) Hoge Raad. In de daarop gevolgde correspondentie heeft verzoeker aangedrongen op een uitspraak van de Hoge Raad.

2.Bespreking van het cassatieverzoek

2.1.
Ingevolge het bepaalde in art. 63 van Pro de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan een lid van het tuchtcollege, dat voor de behandeling van een zaak zitting heeft, worden gewraakt indien te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De artikelen 512 - 524 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn van overeenkomstige toepassing [5] . Art. 515 lid 5 Sv Pro bepaalt dat tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat. Om deze reden kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn verzoek tot cassatie [6] .
2.2.
Blijkens zijn brief van 1 april 2014 aan de procureur-generaal is verzoeker van mening dat hij, verzoeker, gelet op het bepaalde in art. 75 Wet Pro BIG [7] , beroep in cassatie in het belang der wet kan instellen. Die opvatting berust vermoedelijk op een misverstand: het betreft hier een uitspraak van het RTG. Volgens art. 78 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie kan een beroep in cassatie ‘in het belang der wet’ uitsluitend worden ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Een cassatie ‘in het belang der wet’ brengt bovendien geen wijziging in de rechtstoestand van de betrokken partijen. De verwijzing in diezelfde brief naar het Wrakingsprotocol rechtbanken en gerechtshoven [8] mist doel, reeds omdat dat protocol niet van toepassing is op de procedure bij een tuchtcollege in de gezondheidszorg. Al zou verzoeker op de voet van dat protocol worden aangemerkt als een ‘belanghebbende’, zoals hij betoogt, dan neemt dit niet weg dat volgens de wet tegen de beslissing op het wrakingsverzoek geen rechtsmiddel openstaat.
2.3.
Indien het cassatieverzoek zou worden opgevat als een hoger beroep tegen de beslissing van het RTG van 10 december 2013, zou het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de bevoegde appelrechter zijn. Doorzending van het verzoek aan dat college kan, gelet op het vorenstaande, achterwege blijven.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieverzoek aan de Hoge Raad.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Zie HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695.
2.Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 september 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:4349.
3.Zaaknrs. 2013/375 en 376, verzonden 17 december 2013.
4.Verzoeker is geattendeerd op de mogelijkheid van een hoger beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg of bij de Centrale Raad van Beroep. Uit het dossier blijkt dat de griffier van de CRvB op 11 april 2013 de stukken heeft doorgezonden aan de secretaris van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.
5.Zie, naast deze wettelijke bepalingen, ook het Wrakingsprotocol Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (te raadplegen via www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl).
6.Ik laat maar in het midden of verzoeker dit cassatieverzoek kon indienen zonder te zijn vertegenwoordigd een advocaat bij de Hoge Raad (vgl. art. 449 - 452 Sv; art. 426a Rv).
7.Dit artikel luidt: “Tegen een beslissing van het Centraal Tuchtcollege staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.”
8.Te raadplegen via www.rechtspraak.nl/procedures/landelijke regelingen.