ECLI:NL:PHR:2014:1830

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2014
Publicatiedatum
14 oktober 2014
Zaaknummer
13/01843
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens medeplichtigheid aan mishandeling met dodelijke afloop

Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 9 april 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest, voor medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling waarbij het slachtoffer is overleden. Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.

Namens verdachte diende advocaat mr. J.M. Lintz zeven middelen van cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen grotendeels neerkwamen op een herhaling van eerder verworpen verweren en dat de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk was. De selectie- en waarderingsvrijheid van het Hof werd gerespecteerd en er was geen sprake van ontoelaatbare gissingen.

De bewijsvoering, waaronder sectiebevindingen die wijzen op ernstig mechanisch geweld dat enkele dagen voor het overlijden is toegebracht, werd als voldoende beschouwd. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO, waarmee de strafrechtelijke uitspraak van het Hof in stand bleef.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard, strafrechtelijke uitspraak van het Hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/01843
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 9 april 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, ter zake van (1, meest subsidiair) “Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” en (2 meer subsidiair) “Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling”.
2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, een schriftuur ingezonden, houdende zeven middelen van cassatie.
3. De middelen zijn evident tevergeefs voorgesteld. Daartoe enkele korte opmerkingen. Voor een deel behelst de schriftuur in wezen een ‘napleiten’ tegen deugdelijke overwegingen van het Hof. Dat geldt zeker voor de middelen I en II, die zich richten tegen verwerpingen van verweren door het Hof op een wijze die telkens geenszins onbegrijpelijk is en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Middel III en IV stuiten beide af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter, i.c. het Hof. De in het vijfde middel genoemde zinsnede voegt weliswaar niet veel toe aan de bewijsvoering – de getuige herinnert het zich (bijna drie jaar later) niet goed, maar denkt van wel -, maar een ontoelaatbare gissing betreft het niet. Waarom verdachtes aanwezigheid bij de tenlastegelegde mishandelingen in de onderhavige zaak is aan te merken als een handeling opleverende medeplichtigheid heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en op niet onbegrijpelijke wijze vastgesteld (middel VI). En dat de onder 1 bewezenverklaarde geweldshandelingen jegens het later overleden slachtoffer [slachtoffer] pijn en letsel teweeg hebben gebracht (middel VII), volgt genoegzaam uit de bewijsvoering. Een fractie uit de tot het bewijs gebezigde sectiebevindingen: “Bij de sectie waren er tekenen van multipel en heftig, uitwendig, mechanisch, botsend geweld op het lichaam” en: “De ouderdom van de letsels kan goed passen bij een incident enkele dagen voor het overlijden”.
4. Alle zeven middelen rechtvaardigen geen behandeling in cassatie.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met een andere zaak; nr. 13/02115 ([medeverdachte]), waarin ik ook vandaag zal