Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1klaagt het middel dat het hof niet is ingegaan op de eerste grief van [verzoeker] (onder 1-8 van zijn beroepschrift [13] ) dat de rechtbank ten onrechte is teruggekomen op haar eerdere bindende eindbeslissing van 30 december 2013 (dat een pro-formaverificatievergadering zal worden gehouden, tenzij niet alle door de bewindvoerder voorlopig erkende vorderingen door [verzoeker] erkend worden.). Het middel faalt, omdat het hof in rov. 2.8 wel degelijk op deze grief is ingegaan. In de voorlaatste zin van rov. 2.8 overweegt het hof dat de rechtbank niet van haar eerdere beslissing is teruggekomen, omdat ten tijde van de pro-formaverificatievergadering de rechter-commissaris in de veronderstelling verkeerde dat [verzoeker] de vorderingen niet betwistte. Uit deze overweging van het hof valt af te leiden dat omdat er voor de rechter-commissaris geen sprake was van betwiste vorderingen, een inhoudelijke verificatievergadering dan ook helemaal niet aan de orde was.
onderdeel 2klaagt het middel dat de redenering van het hof in rov. 2.7 en 2.8 innerlijk tegenstrijdig is. Zoals hierboven al aangegeven, acht het hof het in rov. 2.7 aannemelijk dat ten onrechte met een pro-formaverificatievergadering is volstaan, maar overweegt het hof vervolgens in rov. 2.8 dat dit er niet aan afdoet dat het proces-verbaal van de pro-formaverificatievergadering juist is, dat hieraan kracht van gewijsde toekomt en dat hiermee onverenigbaar is dat alsnog een inhoudelijke verificatievergadering gelast wordt. Het middel klaagt dat deze redenering in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen van een fair trial, mede gelet op de belangen van [verzoeker]. Zoals hierboven onder 2.6 al besproken, kan het middel niet slagen. Van ‘excessive formalism” is m.i. geen sprake nu de rechtbank Petrovic in de gelegenheid heeft gesteld om in overleg met een aantal van zijn schuldeisers aan te geven dat een aantal vorderingen voor een te hoog bedrag is geverifieerd (zie 1.5 hierboven). Het bieden van deze mogelijkheid die niet in de wet is voorzien duidt geenzins op een formalistische benadering van de rechtbank. De rechtbank heeft [verzoeker] kennelijk tegemoet willen komen. Hij heeft van deze mogelijkheid blijkbaar geen gebruik gemaakt.
onderdeel 3klaagt het middel dat het hof de mogelijkheid van verlenging van de schuldsaneringsregeling heeft miskend. Het oordeel omtrent een verlenging van de schuldsaneringsregeling ex art. 349a Fw is echter voorbehouden aan de discretionaire bevoegdheid van de rechter in feitelijke instanties en komt in cassatie niet voor een inhoudelijke toetsing in aanmerking, zodat ook dit onderdeel moet falen.