Conclusie
1.Feiten en procesverloop
toev. A-G) in [woonplaats], Frankrijk (hierna: het woonhuis). Het woonhuis was op dat moment onbewoonbaar en partijen waren voornemens het woonhuis grootscheeps te verbouwen, waarna zij met hun gezin daar konden gaan wonen. Voor het woonhuis en de omliggende grond hebben partijen een bedrag van (afgerond) € 165.000,- voldaan. Partijen hebben dit bedrag uit eigen middelen voldaan; op de grond en/of het woonhuis rust dan ook geen hypotheek. Nadien (in de periode 2003 tot en met 2007) zijn nog omvangrijke investeringen in het woonhuis en omliggende grond gedaan, eveneens uit privé-vermogen.
1)het woonhuis toe te delen aan de man, en
2)de vrouw te veroordelen tot betaling van
primaireen bedrag ad € 174.000,- ter zake van de helft van de door de man betaalde investeringen, althans
subsidiair– bij toedeling aan de man [6] – een bedrag van € 47.000,-, zijnde het verschil tussen de helft van de investeringen en de helft van de door de rechtbank vastgestelde waarde van de onroerende zaak.
primairde man te veroordelen tot betaling van de helft van de waarde van het woonhuis à € 253.750,-, ofwel € 126.875,-, en
subsidiairde man te veroordelen, conform de beslissing van de rechtbank, tot betaling van een bedrag van € 90.000,-.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
dat artikel 9 akte Pro huwelijkse voorwaarden bepaalt dat aan het einde van het huwelijk zal worden afgerekend als waren partijen gehuwd in gemeenschap van goederen en dat het huis in de gemeenschap valt; de man volstaat met verwijzing naar al hetgeen hij reeds in eerste instantie, in het principaal appèl en hiervoor in het incidenteel appèl heeft gesteld, met aantekening dat (voor zover alleen artikel 9 toepasselijk Pro zou zijn, althans doorslaggevend zou zijn, quod non) de man reeds in eerste instantie heeft gesteld dat alsdan ookhet bepaalde in artikel 9 lid 3 en Pro lid 4 gaat gelden. De man heeft daarover reeds gemotiveerd zijn standpunt weergegeven in de antwoordakte na splitsing (pagina 5 en 6). Aanvullend verwijst de man ook nog naar de jaarrekeningen, aangiftes en (conform opgelegde) aanslagen belastingen over ondermeer 2006 en 2007 waaruit blijkt dat deman ook toen reeds een fors negatief vermogen had. Op deze grond zou dan ookgeen sprake kunnen zijn van een verplichting tot betaling ineensvan hetzij de helft van de getaxeerde waarde hetzij van volledige vergoeding van€ 90.000,00 zijnde het door de vrouw betaalde gedeelte van de aankoopprijs vermeerderd met haar maximale bijdrage in de investeringen.”
50 % waarde WOZ [woonplaats] ) pagina 5 aangifte € 105.000,00
50 % waarde [A] pagina 7 aangifte € 50.000,00
50 % waarde [B] € 285.000,00
Saldi bank € 719,00