ECLI:NL:PHR:2014:1847

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juli 2014
Publicatiedatum
16 oktober 2014
Zaaknummer
14/03269
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 6 Wet BopzArt. 20 Wet BopzArt. 31 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende persoonlijk psychiatrisch onderzoek

In deze zaak heeft de officier van justitie een voorlopige machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verzocht. De rechtbank Rotterdam wees een eerder verzoek af, maar verleende later een voorlopige machtiging op basis van een geneeskundige verklaring die was opgesteld door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was.

Betrokkene stelde in cassatie dat de geneeskundige verklaring onvoldoende was omdat de psychiater hem niet persoonlijk had gezien of gesproken, maar zich slechts op dossiergegevens had gebaseerd. De Hoge Raad bevestigt dat de wet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vereisen dat een persoonlijk psychiatrisch onderzoek plaatsvindt, tenzij in noodsituaties.

De Hoge Raad oordeelt dat uit de stukken niet blijkt dat betrokkene daadwerkelijk persoonlijk is onderzocht door de psychiater. Hierdoor is niet vastgesteld dat het oordeel van de rechtbank over de geestesstoornis en het gevaar op een toereikend psychiatrisch onderzoek berust. Daarom wordt de beschikking vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe beoordeling.

Daarnaast is geoordeeld dat het tweede middel, dat ziet op het ontbreken van nieuwe feiten na een eerdere afwijzing, niet slaagt. De gewijzigde omstandigheden, waaronder de inbewaringstelling, rechtvaardigen een nieuw verzoek. De Hoge Raad benadrukt het belang van een goed gemotiveerde en ondertekende geneeskundige verklaring die voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitkomst: De voorlopige machtiging wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een persoonlijk psychiatrisch onderzoek door de psychiater.

Conclusie

14/03269
Mr. F.F. Langemeijer
25 juli 2014
Conclusie inzake:
[betrokkene ]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
In deze Bopz-zaak is een voorlopige machtiging verleend, kort nadat een eerder verzoek om een voorlopige machtiging was afgewezen. Voldoet de geneeskundige verklaring?

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Op 30 december 2013 heeft de officier van justitie een voorlopige machtiging verzocht om verzoeker tot cassatie in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven (art. 2 Wet Pro Bopz). Bij beschikking van 14 januari 2014 heeft de rechtbank Rotterdam dat verzoek afgewezen.
1.2.
Betrokkene is in februari 2014 in bewaring gesteld (art. 20 Wet Pro Bopz). Vervolgens is een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend [1] . Betrokkene is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van Bouman GGZ te Rotterdam. Op 20 maart 2014 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen. Bij dit verzoekschrift was een verklaring gevoegd, op 18 maart 2014 opgemaakt en ondertekend door de geneesheer-directeur [betrokkene 1]. Op blz. 2 van deze verklaring is vermeld dat het psychiatrisch onderzoek is verricht door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2].
1.3.
Op 9 april 2014 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsman, de arts [betrokkene 3] en twee ambulante behandelaren. Namens betrokkene is (onder meer) aangevoerd dat de officier van justitie in zijn verzoek niet ontvankelijk behoort te worden verklaard: de bij het verzoekschrift gevoegde verklaring d.d. 18 maart 2014 berust volgens het verweer slechts op feiten die van anderen zijn vernomen en is een kopie van de geneeskundige verklaring uit december 2013 [2] . Volgens het verweer is betrokkene niet ‘gezien’ door de psychiater voor het opstellen van deze geneeskundige verklaring.
1.4.
Bij beschikking van 9 april 2014 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend. De rechtbank heeft de geldigheidsduur daarvan bepaald tot 25 september 2014.
1.5.
Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft in cassatie, na verleend uitstel, afgezien van het indienen van een verweerschrift.

2.Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1.
Middel 1klaagt over het uitblijven van een psychiatrisch onderzoek waarbij de psychiater de betrokkene daadwerkelijk heeft gezien en gesproken. Uit de beschikking blijkt evenmin dat de psychiater niet in staat was om met betrokkene te spreken; betrokkene verbleef in het ziekenhuis. Volgens de klacht is de toewijzing van het verzoek daarom in strijd met het recht, althans schiet de motivering tekort (bedoeld is kennelijk: ten aanzien van de verwerping van dit verweer).
2.2.
In het geval, bedoeld in art. 2, vierde lid, dat wil zeggen indien het verzoek betrekking heeft op een persoon die vrijwillig reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, wordt een verklaring bijgevoegd van de geneesheer-directeur van dat ziekenhuis die
a. indien hij niet bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog op de te verzoeken machtiging kort tevoren heeft onderzocht of doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, of
b. indien hij wel bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog op de te verzoeken machtiging kort tevoren heeft doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was.
De geneeskundige verklaring verschaft inzicht in de actuele situatie van de betrokkene. De verklaring moet met redenen zijn omkleed en ondertekend (art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz). Art. 2 is Pro van overeenkomstige toepassing m.b.t. een persoon die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft ingevolge een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 31 Wet Pro Bopz) [3] .
2.3.
In de rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad worden eisen gesteld aan de kwaliteit van het psychiatrisch onderzoek. Daarvan is voor de onderhavige zaak relevant dat de voor een vrijheidsbeneming als bedoeld in art. 5, lid 1 onder e, EVRM vereiste “objective medical expertise” aldus moet worden verstaan dat het − behoudens in noodsituaties − een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de betrokkene door de specialist veronderstelt. Hiermee strookt dat in gevallen waarin de betrokkene niet meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz bedoelde onderzoek, de psychiater moet doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om het vereiste persoonlijk onderzoek, dat wil zeggen een onderzoek waarin de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert, te doen plaatsvinden [4] .
2.4.
De raadsvrouwe van betrokkene heeft op 27 maart 2014 aan de rechtbank geschreven dat de psychiater zijn bevindingen slechts had gebaseerd op het dossier. Zij heeft om die reden een
second opinionverzocht. Uit de bestreden beschikking en de overgelegde gedingstukken blijkt niet dat aan dit verzoek gevolg is gegeven. Blijkens het proces-verbaal (blz. 3) is namens betrokkene ter zitting aangevoerd dat betrokkene niet door de psychiater is ‘gezien’ bij het opstellen van de geneeskundige verklaring. Afgezien van de voorgedrukte mededeling, in rubriek 4, dat het psychiatrisch onderzoek is verricht door psychiater [betrokkene 2], blijkt uit de verklaring d.d. 18 maart 2014 noch uit de overige gedingstukken dat met het oog op de te verzoeken machtiging kort tevoren persoonlijk contact heeft plaatsgevonden tussen de onderzoekende psychiater en betrokkene. In rubriek 4 onder c (stoornis) is vermeld: “Alle feiten heb ik uit het dossier en van [betrokkene 4], verpleegkundige van de polikliniek van Bouman GGZ, vernomen” [5] .
2.5.
Uit een en ander volgt m.i. dat niet vaststaat dat het oordeel van de rechtbank over de stoornis van de geestvermogens en het daardoor teweeggebrachte gevaar op een toereikend psychiatrisch onderzoek berust. Het oordeel (op blz. 2 van de beschikking) dat de geneeskundige verklaring aan alle eisen voldoet, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die de wet en art. 5 EVRM Pro aan het psychiatrisch onderzoek stellen, hetzij het oordeel is niet toereikend gemotiveerd ter weerlegging van het verweer dat betrokkene door de psychiater niet is ‘gezien’ bij het opstellen van de geneeskundige verklaring. Middel 1 acht ik derhalve gegrond.
2.6.
Middel 2behoeft geen bespreking indien middel 1 slaagt. Middel 2 bevat de klacht dat de rechtbank de officier van justitie ten onrechte in zijn verzoek heeft ontvangen althans het verzoek ten onrechte heeft toegewezen, nu het eerdere verzoek van de officier van justitie om een voorlopige machtiging te verlenen op 14 januari 2014 door de rechtbank was afgewezen. Volgens de klacht blijkt niet dat zich sedertdien nieuwe feiten hebben voorgedaan. De toelichting op de klacht verwijst naar art. 6 lid 1 Wet Pro Bopz. Subsidiair is hieraan een motiveringsklacht verbonden.
2.7.
Onder de vroegere Krankzinnigenwet, art. 12, konden bepaalde familieleden, de voogd en de curator rechtstreeks aan de kantonrechter een machtiging verzoeken om de patiënt in een krankzinnigengesticht te laten opnemen. Bij de totstandkoming van de Wet Bopz is de toegang tot de rechter op dit punt gewijzigd. Art. 4 Wet Pro Bopz bepaalt wie bevoegd is om een verzoek, gericht op het verkrijgen van een voorlopige machtiging tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, in te dienen bij de officier van justitie. Vervolgens beslist de officier van justitie met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid van art. 6 Wet Pro Bopz, over het door hem indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank.
2.8.
Indien zich naar het oordeel van de officier van justitie een geval voordoet als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz, doet hij, ook indien hij daartoe niet ingevolge het eerste lid van artikel 6 verplicht Pro is, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging. In de onderhavige zaak gaat het om zo’n
ambtshalvedoor de officier van justitie gedaan verzoek (zie art. 6 lid Pro 2, voor zover nodig in verbinding met art. 31 Wet Pro Bopz). Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, is het eerste lid van art. 6 Wet Pro Bopz in deze zaak niet van toepassing. De rechtsklacht mist doel.
2.9.
De subsidiaire motiveringsklacht deelt in dat lot. Overigens maakt de omstandigheid dat de rechtbank op 14 januari 2014 ten aanzien van dezelfde patiënt een verzoek om een voorlopige machtiging had afgewezen, het verlenen van een voorlopige machtiging op 9 april 2014 nog niet onbegrijpelijk. Een gewijzigde omstandigheid was in dit geval dat − na de beschikking van 14 januari 2014 − een voorval heeft plaatsgevonden dat aanleiding heeft gegeven om betrokkene in bewaring te stellen, waarna een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend. Daarop ziet kennelijk de overweging van de rechtbank op blz. 2, dat betrokkene is opgenomen nadat hij overlast veroorzaakte in de omgeving. De slotsom is dat middel 2, zo de Hoge Raad hieraan toekomt, niet tot cassatie leidt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Zie art. 27 - 31 Wet Bopz. Deze machtiging is niet in afschrift overgelegd; het bestaan ervan volgt uit het verzoekschrift van de officier van justitie en uit de bestreden beschikking, blz. 2.
2.Zie het proces-verbaal blz. 3. Bedoeld is kennelijk de (in cassatie overgelegde) geneeskundige verklaring d.d. 17 december 2013 van de psychiater [betrokkene 2]. Inhoudelijk stemmen de beide geneeskundige verklaringen nagenoeg woordelijk overeen. Van een “exacte kopie”, zoals het cassatieverzoekschrift onder 2 beweert, is echter geen sprake omdat kleine tekstverschillen zijn te vinden op blz. 1, blz. 2 bovenaan en blz. 4.
3.Vgl. R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, 2008, blz. 55 - 60 en blz. 139.
4.Vgl. HR 21 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3450, NJ 2003/484 m.nt. J. de Boer, BJ 2003/20 m.nt. W. Dijkers, met verdere verwijzingen aldaar; HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9228, NJ 2007/259 m.nt. J. Legemaate, BJ 2006/48.
5.Zie eenzelfde mededeling in rubriek 5.d (m.b.t. het te duchten gevaar).