Conclusie
Feiten en procesverloop (voor zover in cassatie nog van belang)
( [2] )heeft eiseres tot cassatie – [toen nog Farmassure B.V. geheten, daarna Escura BV en thans Benu Nederland BV; hierna nog Escura te noemen] – aan verweerster in cassatie (hierna: Catilia) een voorstel doen toekomen met betrekking tot overname van 90% van het aandelenkapitaal van Catilia Farma B.V. Het aan Catilia, ter attentie van haar algemeen directeur [betrokkene 1], gerichte voorstel houdt onder meer in dat voor goodwill een bedrag van € 2.725.000,- zal worden betaald, te verminderen met een belastinglatentie van 25%.
( [3] )een enigszins gewijzigd overnamevoorstel aan Catilia verstrekt. Daarin is onder meer de belastinglatentie ter zake van de goodwill verlaagd tot 23%.
( [4] )heeft [betrokkene 1] namens Catilia het overnamevoorstel van 5 december 2006 bevestigd. In de brief staat onder meer:
“Farmassure zal (…) een goodwill betalen van 2.725.000 euro verminderd met een belastinglatentie van 23%, dus Catilia BV zal 2.098.250 euro aan goodwill ontvangen”.
( [5] ). Het berekende voorschotbedrag bedraagt € 1.528.950.
( [6] )heeft [betrokkene 1] namens Catilia aan de instrumenterend notaris het volgende bericht:
“Na overleg met Farmassure gisteravond blijft het voorschot-bedrag 1.528.950 euro voor de vlotte voortgang gehandhaafd, hoewel de voorschot-afrekening (vrijdag 2 februari ontvangen) waarop dit bedrag gebaseerd is volstrekt niet klopt”.
( [7] )Escura heeft op grond van de door haar opgestelde voorschotafrekening op 15 februari 2007 een bedrag van € 1.528.950,- aan Catilia betaald.
3. Koopprijs. Betaling koopprijs. Kosten
13. Ingebrekestelling. Verzuim. Boete
( [8] )de in artikel 3 van Pro de koop-overeenkomst genoemde overnamebalans gestuurd en verzocht om uiterlijk 15 mei 2007 tot betaling over te gaan van het verschil tussen de definitieve koopprijs en het betaalde voorschot (€ 811.481,- plus 4% rente vanaf 1 februari 2007).
( [9] )heeft Escura aan Catilia laten weten dat de cijfers in de overnamebalans worden beoordeeld, maar dat de controlewerkzaamheden meer tijd vergen dan in de koopovereenkomst is vastgelegd. In het bericht staat dat de overnamebalans uiterlijk 15 juni 2007 zal zijn gecontroleerd en, behoudens eventuele discussiepunten, op die datum kan worden vastgesteld, waarna tot betaling van het restantbedrag kan worden overgegaan.
( [10] )heeft Catilia Escura in gebreke gesteld inzake het uitblijven van de restantbetaling en uiterlijk 29 mei 2007 betaling van het restantbedrag gevorderd.
( [11] )heeft Escura opnieuw aan Catilia laten weten dat de controlewerkzaamheden meer tijd vergen en herhaald dat zij op 15 juni 2007 de overname-balans zal vaststellen.
(( [12] ))heeft Catilia aan Escura medegedeeld dat zij in verzuim is en per omgaande betaling van het boetebedrag van € 45.380,00 gevorderd.
( [13] )heeft Escura aan Catilia ([betrokkene 1]) bericht dat de overnamebalans nog niet gereed is, maar dat deze uiterlijk 31 juli 2007 zal worden opgeleverd. In de e-mail is verder de volgende passage opgenomen:
“Overigens hebben wij inmiddels wel kunnen constateren dat in jouw berekening van het door ons nog te betalen bedrag geen rekening is gehouden met de aftrek van de post goodwill die op 31 januari 2007 nog op de balans staat. Het door ons te betalen bedrag zal daarmee significant lager zijn dan door jou is aangegeven”.
( [14] )vermeldt onder meer:
“Wij hebben de door Hoogeveen Luigjes opgestelde overnamebalans per 31 januari 2007 beoordeeld en vervolgens aan de hand van de financiële administratie van de afgelopen maanden, daar waar ons inziens nodig bleek te zijn, correcties hierop aangebracht. De aangebrachte correcties zijn volledig gespecificeerd en hebben wij op een separate bijlage bijgevoegd. Gezien de omvang van het aantal correcties is het wellicht wenselijk deze op een later moment met elkaar te bespreken.”
( [15] )heeft [betrokkene 1] namens Catilia als volgt gereageerd op de door Escura op de overnamebalans aangebrachte correcties:
“Sprakeloos was ik bij het zien van uw correcties na 3 maanden. Met klem betwist ik de door u gemaakte vordering. Hierna volgen de redenen per onderdeel.”
( [16] )heeft Escura als volgt gereageerd op deze brief:
“Op basis van het bovenstaande hebben wij de afrekening gecorrigeerd en als bijlage 9 bijgevoegd. Op basis hiervan zijn wij nog een bedrag van € 155.929 verschuldigd.”
( [17] )) plus de in de koopovereenkomst opgenomen vergoeding voor goodwill (€ 2.098.250,-) minus het door Escura al betaalde voorschot van € 1.528.950,-. Volgens Catilia volgt uit artikel 3 van Pro de koopovereenkomst dat, anders dan Escura meent, er geen grond is voor vermindering van het goodwillbedrag van € 2.725.000,-, naast het bedrag van de 23% belastinglatentie, met ook nog een bedrag van € 597.952,-, zijnde 90% van het bedrag betreffende de in de overnamebalans als immaterieel activum opgenomen goodwill.
( [18] )
( [19] )
“Indien en voor zover het gerechtshof onverhoopt met de rechtbank van mening mocht zijn dat Escura op de koopprijs inderdaad nog in mindering mocht brengen 90% van de op de balans opgenomen goodwill ad € 664.391,00, meent Catilia echter dat ook ten aanzien van dat bedrag een aftrek voor belastinglatentie van 23% had moeten plaatsvinden, zodat Escura niet een bedrag van € 597.592,00 in mindering op de koopsom had mogen brengen, maar een bedrag van € 460.000,00. Catilia maakt dan ook (voorwaardelijk) aanspraak op het daartussen gelegen verschil ad € 137.446,00, (…).”
exclusiefde in de overnamebalans geactiveerde goodwill, dat dit laatste een correctie van de in de koopovereenkomst genoemde intrinsieke waarde meebrengt en dat deze correctie, naar Escura is gesteld en door Catilia onvoldoende is bestreden, hierop neerkomt dat de in de overnamebalans geactiveerde goodwill voor een bedrag van € 597.952,- in mindering moet worden gebracht op de overeengekomen goodwill-som (rov. 4.2 t/m 4.8). Hierop voortbouwend oordeelt het hof dat de door partijen overeengekomen belastinglatentie moet worden berekend over de goodwill, voor zover die niet op de balans is geactiveerd, want de ratio van het opnemen van een belastinglatentie als de onderhavige is juist daarin gelegen dat Escura op enig moment in de toekomst vennootschapsbelasting over de stille reserve in de goodwill verschuldigd is. Die stille reserve bedraagt (€ 2.725.000,- minus € 597.952,-) € 2.127.048,-. Escura had de belastinglatentie tegen het overeengekomen percentage van 23% alleen op dit laatste bedrag in mindering kunnen brengen. Derhalve is de door Catilia(in
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Het hof is van oordeel dat de door partijen overeengekomen belastinglatentie moet worden berekend over de goodwill voor zover die niet was geactiveerd. Immers de ratio van het opnemen van een belastinglatentie als de onderhavige is juist daarin gelegen dat Escura op enig moment in de toekomst vennootschapsbelasting is verschuldigd over de stille reserve in de goodwill. De stille reserve bedraagt, zoals hiervoor is is overwogen € 2.725.000,- minus € 597.952,- ofwel 2.127.048,-.Uitsluitend over dit bedrag kon Escura de belastinglatentie tegen het overeengekomen percentage van 23% in mindering brengen.”
“Het is immers ongebruikelijk dat voor geactiveerde goodwill een belasting-latentie wordt gevormd en dat wat niet gevormd is, valt ook niet vrij.”Escura heeft zelf bepleit dat het op de geactiveerde goodwill betrekking hebbend bedrag van € 597.592,- in mindering wordt gebracht op het bedrag van € 2.725.000,-. Daaruit heeft het hof afgeleid en ook kunnen afleiden dat dit laatste bedrag mede zag op de in de overnamebalans opgenomen goodwill. De belastinglatentie van 23 % is dan, ook naar de eigen stellingen van Escura, ten onrechte op dat bedrag van € 597.592,- betrokken. Anders gezegd, er is dan aanvankelijk voor een bedrag van (23% x € 597.592,-) € 137.446,16 te veel aan belasting-latentie aangehouden. Tot deze conclusie komt men en kan men komen reeds op grond van hetgeen Escura heeft gesteld, zodat het beroep van het hof op de ratio van de latentie, voor zover het hof daarmee al iets anders op het oog zou hebben gehad dan Escura, zonder belang is en geen aanleiding tot vernietiging van het arrest op het onderhavige punt geeft.
“Bij de uitleg van overeenkomsten geldt (…) dat, ook indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval steeds kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft aldus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx). Dat is niet zonder meer anders (…) waar het een overeenkomst tussen twee professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door externe, ter zake kundige juridische adviseurs (…) (vgl. HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 (Gemeente Rotterdam/Eneco)).( [20] )Gezien dit oordeel van de Hoge Raad was er voor het hof ruimte om bij de uitleg van artikel 13.2 van de koopovereenkomst in aanmerking te nemen de inhoud en aard van artikel 6:92 lid 2 BW Pro alsook de 4% rente-regeling in artikel 3.3 van de koopovereenkomst. Beide regelingen hebben het hof tot de uitleg van artikel 13.2, met inbegrip van het daarin voorkomende woord ‘werkelijk’, kunnen brengen die het hof heeft gegeven. Van omstandigheden die tot de conclusie zou moeten leiden dat de uitleg toch niet voldoende gemotiveerd is, is geen sprake.
“de overeenkomst om baat die een of meer partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersoon.”In subonderdeel 6.1 wordt, na de vooropstelling dat artikel 6:119a BW is voortgevloeid uit de implementatie van de EG-richtlijn 2000/35 van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties
( [21] ), aangevoerd dat de koopovereenkomst niet onder artikel 6:119a BW valt gelet op (i) het doel van de Richtlijn, te weten het opheffen van de door buitensporige betalingstermijnen en betalingsachterstanden veroorzaakte zware administratieve en financiële lasten die drukken op het bedrijfsleven, met name op het midden- en kleinbedrijf, (ii) de definitie van de term handelstransactie in de Engelse, Duitse en Franse vertaling van de Richtlijn, (iii) de in art. 6:119a lid 2 BW opgenomen standaardtermijnen, (iv) het niet gelden van het verzuim-vereiste en het in plaats daarvan gelden van het factuur-vereiste. Uit deze factoren moet volgens het onderdeel worden afgeleid dat, indien de overeenkomst niet is aangegaan in de normale uitoefening van een bedrijf althans indien er sprake is van een niet tot de normale uitoefening van een bedrijf behorende verkoop van 90% van de aandelen van een vennootschap waarin een onderneming wordt gedreven, er dan niet gesproken kan worden van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW.
( [22] )(…)
( [23] )(…)
( [25] )(…)
( [26] )
( [27] )