ECLI:NL:PHR:2014:1863

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juli 2014
Publicatiedatum
23 oktober 2014
Zaaknummer
14/03378
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw en onvoldoende nakoming verplichtingen

Verzoekers tot cassatie, gehuwd in gemeenschap van goederen, hadden afzonderlijk de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees deze verzoeken af op grond van het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden en het onvoldoende aannemelijk zijn dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zouden nakomen.

Het hof Den Haag bevestigde deze afwijzing, stellende dat de schulden voortvloeiden uit overtredingen en verzekeringsschulden waarvoor verwijtbaarheid bestond. Ook was onvoldoende aannemelijk dat de hulp van maatschappelijk werk en familie structureel en voldoende aanwezig was om de verplichtingen te waarborgen.

Verzoekers kwamen vervolgens in cassatie tegen het oordeel dat zij hun verplichtingen niet zouden nakomen en dat de hardheidsclausule niet toegepast hoefde te worden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat de stellingen van verzoekers niet essentieel waren om het oordeel te weerleggen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Conclusie

14/03378
Mr. L. Timmerman
Parket 25 juli 2014
Conclusie inzake:
1. [verzoekster 1]
2. [verzoeker 2],
verzoekers tot cassatie

1.Feiten en procesverloop

1.1
Verzoekers tot cassatie (gezamenlijk “[verzoekers]” en afzonderlijk “[verzoekster 1]” en “[verzoeker 2]”) hebben op 21 november 2013 ieder afzonderlijk de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij vonnissen van 10 april 2014 dit verzoek afgewezen.
1.2
De afwijzing door de rechtbank is gebaseerd op art. 288 lid 1 sub b Fw Pro, ingevolge welke bepaling een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
De afwijzing is voorts gebaseerd op art. 288 lid 1 sub c Fw Pro, ingevolge welke bepaling voornoemd verzoek slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (in het bijzonder de informatie- en sollicitatieverplichting) naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
1.3
[verzoekers] zijn van beide vonnissen van de rechtbank bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen.
1.4
Bij arrest van 26 juni 2014 heeft het hof voornoemde vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
1.5
Vaststaat dat [verzoekers], die in gemeenschap van goederen gehuwd zijn, een gezamenlijke schuldenlast hebben van in totaal € 36.250,04. Het betreffen schulden aan (onder andere) het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer, de Belastingdienst en (alleen ten aanzien van [verzoeker 2]) aan het Maasstad ziekenhuis.
1.6
Het hof overweegt (in rov. 4) allereerst dat de goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 sub b Fw Pro een gedragsmaatstaf is, waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
1.7
In navolging van de rechtbank oordeelt het hof vervolgens (in rov. 5) dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoekers] geen verwijt treft ten aanzien van de uit de overtreding van verkeers- en verzekeringsvoorschriften voortvloeiende schulden aan het CJIB en aan de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer. Het feit dat familieleden en vrienden met de auto van [verzoekers] verkeersovertredingen hebben begaan en schades hebben gemaakt, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [verzoekers] ten aanzien van het gebruik van hun auto. Ook het feit dat door vele beslagleggingen [verzoekers] niet in staan waren om de verzekeringspremies te betalen, maakt (aldus het hof) niet dat het ontstaan van de hiermee verband houdende schulden verschoonbaar is.
1.8
Daarnaast oordeelt het hof (in rov. 6) dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekers] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen. Het hof neemt hierbij (onder andere) in aanmerking dat [verzoekers], mede als gevolg van hun gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, moeite hebben met het beheren van hun financiën en het voeren van een behoorlijke administratie. Weliswaar is er sinds vier maanden hulp van maatschappelijk werk en bieden de kinderen van [verzoekers] hulp, maar (aldus het hof) onvoldoende aannemelijk is dat deze hulp structureel en in voldoende mate aanwezig is.
1.9
Het hof concludeert (in rov. 7) dat om meerdere redenen op dit moment de schuldsaneringsregeling niet van toepassing kan worden verklaard.
1.1
[verzoekers] zijn van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 4 juli 2014 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen. [1]

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het verzoekschrift tot cassatie bevat één middel, aangeduid als onderdeel 1.
Voorafgaande aan onderdeel 1 wijst het middel op de “ultra-korte” cassatietermijn van acht dagen, maar laat verder na duidelijk aan te geven wat het met deze opmerking beoogt. Ik leid uit deze opmerking geen cassatiemiddel af en zal de bespreking dan ook beperken tot onderdeel 1.
2.2
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 6 van het hof met betrekking tot de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het middel klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de stellingen van [verzoekers] onder 11-14 van hun beroepschrift. [2] Hierin wordt gegriefd tegen de overweging van de rechtbank (op p. 2 van beide vonnissen) dat niet aannemelijk is dat [verzoekers] hun verplichtingen (in het bijzonder de informatie- en sollicitatieverplichting) naar behoren zullen nakomen. Er is (aldus de rechtbank) niet aantoonbaar gesolliciteerd en ten aanzien van [verzoeker 2] ontbreekt een verklaring van arbeidsongeschiktheid. Voorts is gebleken dat [verzoekers] de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheersen, terwijl niet is gebleken van structurele assistentie voor hun taalprobleem. Hiertegen is gegriefd (onder andere) met de stelling dat [verzoekster 1] wel degelijk heeft gesolliciteerd (onder overlegging van enkele sollicitatiebrieven) en dat [verzoeker 2] verwacht op korte termijn een verklaring van volledige arbeidsongeschiktheid aan het hof te kunnen doen toekomen.
2.3
Het middel faalt, omdat de desbetreffende stellingen van [verzoekers] niet zijn aan te merken als essentiële stellingen (dat wil zeggen stellingen die, indien juist, in de weg staan aan de beslissing). Het hof baseert zijn oordeel op twee – zelfstandig dragende – gronden, te weten in rov. 5 met betrekking tot het ontbreken van goede trouw en in rov. 6 met betrekking tot het onvoldoende aannemelijk zijn dat de verplichtingen naar behoren zullen worden nagekomen. In rov. 6 overweegt het hof dat onvoldoende aannemelijk is dat de hulp van maatschappelijk werk en van de kinderen van [verzoekers] structureel en in voldoende mate aanwezig is en komt het op grond hiervan tot zijn conclusie ten aanzien van de op de schuldenaren – persoonlijk – rustende verplichtingen. Dit is niet onbegrijpelijk en het hof behoefde hierbij niet op alle overige stellingen van [verzoekers] in te gaan.
2.4
Het middel betoogt voorts dat met de grief onder 11 van het beroepschrift is gedoeld op art. 288 lid 3 Fw Pro. Deze bepaling bevat een hardheidsclausule en houdt in dat een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ondanks het ontbreken van goede trouw kan worden toegewezen (in afwijking van art. 288 lid 1 sub b Fw Pro) indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Als ik het middel goed begrijp, betoogt het dat de sollicitaties van [verzoekster 1], de aangekondigde verklaring van volledige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker 2] en de hulp van maatschappelijk werk en van de kinderen van [verzoekers] omstandigheden zijn, op grond waarvan het hof de hardheidsclausule had moeten toepassen, namelijk omdat (aldus het middel) [verzoekers] er hiermee inmiddels blijk van gegeven hebben zich ten opzichte van de schuldeisers naar behoren te willen en te kunnen gedragen.
2.5
Zoals hierboven al aangegeven, heeft het hof overwogen (in rov. 6) dat het er nog niet van overtuigd is dat met de hulp van maatschappelijk werk en van de kinderen van [verzoekers] correcte nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voldoende is gewaarborgd, dit gelet op de relatief korte duur van deze hulpverlening en omdat onvoldoende aannemelijk is dat deze hulp structureel en in voldoende mate aanwezig is. Het hof geeft er hiermee blijk van dat het van oordeel is dat deze omstandigheden weliswaar positief zijn, maar op dit moment nog onvoldoende voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Dit – aan de feitenrechter voorbehouden – oordeel is niet onbegrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof niet als eis gesteld dat sprake moet zijn van een 100% slagingskans van de schuldsaneringsregeling en niet onbegrijpelijk is dat het hof mede in aanmerking neemt dat [verzoekers] een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal hebben. Het middel kan niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G L. Timmerman

Voetnoten

1.In het verzoekschrift tot cassatie is vermeld (op p. 1) dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 19 juni 2014 bij het hof is opgevraagd en dat dit zo spoedig mogelijk zal worden nagestuurd. In het verzoekschrift tot cassatie is echter verder geen voorbehoud gemaakt met betrekking tot dit nog te ontvangen proces-verbaal, zodat de inhoud van dit inmiddels (bij fax van zowel het hof als de advocaat van [verzoekers] van 11 juli 2014) ontvangen proces-verbaal niet in aanmerking behoeft te worden genomen.
2.Op p. 5 van het verzoekschrift tot cassatie klaagt het middel dat het hof “de door appellanten […] aangevoerde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.” Kennelijk abusievelijk is in deze zin het woord “niet” weggevallen.