Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt in de kern genomen dat het Hof ten onrechte in rov. 4.4 heeft overwogen dat [eiser] uitvoerend bestuurder van ACU was in de zin van art. 2:18 BWC Pro en dat derhalve de rechtsverhouding tussen [eiser] en ACU niet als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt, zodat het bestuur van ACU te allen tijde bevoegd was [eiser] te ontslaan op grond van art. 2:18 lid 8 BWC Pro. Het onderdeel wordt nader uitgewerkt in vier subonderdelen.
subonderdeel 1.awordt geklaagd dat de vaststelling door het Hof dat de statuten van ACU een ‘one tier board’ systeem bevatten, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel volgt uit de statuten van ACU dat de coöperatie een algemeen en een dagelijks bestuur heeft en daarnaast een algemeen directeur die van dat bestuur geen deel uitmaakt.
Subonderdeel 1.bbetoogt dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het oordeel van het Hof berust op de feitelijke vaststelling dat [eiser] het dagelijks bestuur uitoefende, op de functiebeschrijving van general manager en de advertentie voor de functie van general manager, en op de omstandigheid dat [eiser] is ingeschreven als algemeen directeur van ACU. Volgens het subonderdeel moeten de betrokken statutaire bepalingen objectief worden uitgelegd overeenkomstig hun bewoordingen, in het licht van de statuten als geheel.
Subonderdeel 1.cklaagt dat het Hof heeft miskend dat een statutaire regeling op grond van art. 2:18 BWC Pro niet uitsluit dat een belangrijk deel van de uitvoerende taken wordt opgedragen aan een ‘directie’, bestaande uit personen die in dienst zijn van de rechtspersoon. Ten slotte klaagt
subonderdeel 1.ddat het Hof onvoldoende is ingegaan op nader in het onderdeel aangegeven essentiële stellingen.