Conclusie
1 januari 2012.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
bepaaldetijd tot stand is gekomen. Het laatste deel van de rechtsklacht van onderdeel 1 ziet op de passage in rov. 7.3 dat de beëindigingsovereenkomst niet afdoet aan het onbepaalde tijdskarakter van de vierde arbeidsovereenkomst. Daarnaast klaagt het onderdeel dat rov. 7.3 onbegrijpelijk is gemotiveerd nu tussen partijen wel geschil bestaat over de vraag of de arbeidsovereenkomst van 18 februari 2011 voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan.
rechtsklacht van onderdeel 1acht ik in ieder geval gegrond voor de derde loot daarvan (dat het er voor het onbepaalde tijdskarakter in de omstandigheden van dit geval niet toe zou doen dat tegelijk met de vierde arbeidsovereenkomst een beëindigingsovereenkomst is gesloten). Dat impliceert ook gegrondheid van het tweede deel van de rechtsklacht van onderdeel 1 (gericht tegen het oordeel dat art. 7:668a BW directe toepassing zou missen). [verweerster] heeft gelijk dat niet elke omzeiling van de ketenregeling ongeoorloofd is, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Greenpeace-arrest [8] , maar dit gaat mijns inziens te ver; een dergelijke
beëindigingsovereenkomst bij voorbaatmaakt de bescherming uit de ketenregeling van de zwakke positie van een werknemer na drie tijdelijke contracten domweg illusoir, zoals ook de kantonrechter al vond. Het holt daarmee zoiets fundamenteels als ontslagbescherming in het arbeidsrecht gedeeltelijk uit. Dat die beschermingsgedachte [9] nog springlevend is, blijkt onder meer uit de komende aanpassing op dit punt in de Wet werk en zekerheid van 14 juni 2014 (Stb. 2014, 216), die op 1 juli 2015 in werking zal treden, waarbij de periode uit art. 7:668a lid onder b wordt teruggebracht van 36 naar 24 maanden – en dus wordt aangescherpt. Op grond van de “wezen gaat voor schijn”-doctrine in het arbeidsrecht [10] waar het onderdeel terecht op wijst, moet je – rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de feitelijke uitwerking van de schriftelijk gemaakte afspraken [11] – kijken wat er zich hier feitelijk heeft afgespeeld en naar de bedoeling van partijen. Ik kan het samenstel van afspraken uit de vierde overeenkomst en de vaststellingsovereenkomst en de daaraan gegeven uitvoering niet anders zien dan als een afspraak die inhoudt dat
al bij het sluiten van het contract een einddatum wordt vastgestelden dat is volgens mij – hoe je dat ook formeel probeert in te kleden – op de keper beschouwd niets anders dan een overeenkomst voor
bepaaldetijd (en dat staat ook nog eens als kopje boven de vierde overeenkomst). In zoverre slagen volgens mij (in ieder geval) de rechtsklachten tegen de passages uit rov. 7.3 dat voor de kwalificatie bepaalde tijd/onbepaalde tijd de beëindigingsovereenkomst geen afbreuk zou doen aan het onbepaalde tijdskarakter van de vierde arbeidsovereenkomst en dat art. 7:668a BW niet direct toepasselijk zou zijn. Of het hof alleen op de contractsteksten zou hebben gelet (de eerste loot van de rechtklacht van onderdeel 1) kan dan in het midden blijven.
subsidiaire motiveringsklacht van onderdeel 1. Die slaagt ook. Al bij een marginale toets in cassatie is de aangevallen (feitelijke [12] ) uitleg van het hof onbegrijpelijk dat tussen partijen vast zou staan dat een vierde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, omdat niet in geschil zou zijn dat de kop “bepaalde tijd” boven de vierde overeenkomst op een vergissing berust. Dan geldt in de slipstream daarvan dat ook onbegrijpelijk is dat art. 7:668a lid 1 BW directe toepassing zou missen. De in de klacht genoemde passages uit de stukken zijn mva 2.15, 2.16 en 4.4.3, die voor zover van belang als volgt luiden:
[eiser] niet onderbouwd, anders dan door te stellen dat bewust is afgeweken van een driekwart-dwingende wetsbepaling. Dat is echter – als daar al sprake van zou zijn – zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende om te concluderen tot strijd met de openbare orde of de goede zeden. Het oordeel van de kantonrechter dat een overeenkomst gericht op het buiten werking stellen van een (driekwart) dwingende wetsbepaling ipso facto nietig is wegens strijd met de openbare orde of goede zeden (zodat in dat geval geen beroep behoeft te worden gedaan op de vernietigbaarheid ervan) is daarom rechtens onjuist.
primaire rechtsklachtvoert aan dat het hof heeft miskend dat alleen een vaststelling
ter beëindigingvan een al
bestaande onzekerheid of geschilop vermogensrechtelijk gebied eventueel in strijd met dwingend recht mag komen, maar dat dat niet geldt voor een vaststelling
ter voorkoming van een toekomstig geschil. De klacht voert aan dat het hof in de derde alinea van rov. 7.3.2 voorop stelt dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten
ter voorkomingvan een
toekomstige onzekerheid of geschilop vermogensrechtelijk gebied en vervolgens art. 7:902 BW Pro wordt toegepast, maar dat dat niet kan voor die categorie. Dus: alleen een vaststelling ter beëindiging van een bestaand geschil/bestaande onzekerheid (categorie 1) kan onder voorwaarden bij strijd met dwingend recht door de beugel, maar een vaststelling ter voorkoming van een toekomstig geschil of onzekerheid (categorie 2) niet en het hof stelt eerst vast dat sprake is van categorie 2 en past vervolgens de uitzondering toe die hoort bij categorie 1 en dat kan niet. De
subsidiaire motiveringsklachtbehelst dat voor zover het oordeel van het hof in de vierde alinea van rov. 7.3.2 zo moet worden begrepen dat het hof op het uitgangspunt van de derde alinea van die rechtsoverweging terugkomt dat het hier toch om de categorie vaststelling ter beëindiging gaat in plaats van vaststelling ter voorkoming, er sprake is van onbegrijpelijkheid of ontoereikende motivering.
subonderdeel 2avoorgestelde
primaire rechtsklachtis gegrond. Art. 7:902 BW Pro ziet op de hiervoor bedoelde categorie 1 gevallen: vaststelling ter
beëindigingvan onzekerheid of geschil is ook geldig als zij in strijd zou blijken te komen met dwingend recht (tenzij tevens sprake is van strijd met openbare orde of goede zeden). De uitzondering in art. 7:902 BW Pro geldt niet voor categorie 2 situaties, vaststelling ter
voorkomingvan toekomstige onzekerheid of geschil en het hof plaatst de vaststelling in laatstgenoemde categorie. [15] Voor een andersluidend standpunt heb ik geen steun gevonden in wetsgeschiedenis, rechtspraak of literatuur. De overeenkomst kan dus niet rechtsgeldig in strijd komen met de driekwart-dwingendrechtelijke ketenregeling in dit geval, zoals het middel volgens mij terecht aandraagt.
subsidiaire motiveringsklachtuit
subonderdeel 2bmist volgens mij feitelijke grondslag, omdat helemaal niet blijkt dat het hof één alinea verder op zijn één alinea daarvoor geponeerde uitgangspunt dat we hier te maken hebben met een categorie 2 vaststelling (voorkoming van toekomstig geschil of onzekerheid) terugkomt en toch meent dat er sprake is van een categorie 1 geval. Deze subsidiaire noodgreep faalt (maar was ook niet nodig).
beëindigingvan onzekerheid of geschil (zodat niet wordt toegekomen aan de tenzij-clausule uit art. 7:902 BW Pro). Als ik het goed zie, is namelijk alleen in dàt kader in het debat in feitelijke instanties de vraag opgekomen of het stelsel van de vierde arbeidsovereenkomst in combinatie met de beëindigingsovereenkomst in strijd komt met de openbare orde of goede zeden. Ik recapituleer dat de door onderdeel 3 aangevallen rov. 7.3.2 van het hofarrest ziet op grief 4 die op zijn beurt rov. 9 en 10 van de kantonrechter attaqueerde. In rov. 9 had de kantonrechter – m.i. juist – het verweer van [verweerster] op grond van art. 7:902 BW Pro gepasseerd. Maar, zo vervolgt het kantonvonnis dan in rov. 10, zelfs als wel moet worden aangenomen dat dit artikel in beginsel van toepassing zou zijn, dan gaat dat nog mank, omdat dan de clausulering uit art. 7:902 BW Pro uit de hoed komt dat een met dwingend recht strijdige vaststelling niet tevens in strijd mag komen met de openbare orde en goede zeden. In die zin was dat in de overwegingen van de kantonrechter ten overvloede. Omdat het hof – m.i. ten onrechte – meent dat art. 7:902 BW Pro wèl van toepassing is (en dat oordeel wordt terecht aangevallen door onderdeel 2 in cassatie, zo heb ik hiervoor bepleit), kwam het hof ook toe aan (het verwerpen van) de uitzondering uit art. 7:902 BW Pro: tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Vervolgens overweegt het hof in rov. 7.3.2 dat die tenzij-clausule hier geen opgeld doet en daartegen richt zich de klachten van onderdeel 3 in cassatie. Maar bij het slagen van de rechtsklacht uit onderdeel 2 is dat dan weer ten overvloede, zou ik menen: geen belang bij cassatie op dit punt dus. Ik besloot in 2.7 al dat het middel volgens mij terecht aanvoert dat de overeenkomst niet rechtsgeldig in strijd kan komen met de driekwart-dwingendrechtelijke ketenregeling in dit geval. Het wettelijk systeem biedt daar geen ruimte voor in geval van een vaststelling ter
voorkomingvan geschil als hier aan de orde (in plaats van
beëindiging). Zo’n overeenkomst is denk ik nietig in de zin van art. 3:40 lid 1 BW Pro, omdat dit naar inhoud van het contract (art. 3:33-35 BW) in strijd komt de goede zeden of de openbare orde, namelijk ontduiking van zoiets fundamenteels als ontslagbescherming voor flexwerkers, zoals het onderdeel overigens inhoudelijk lijkt aan te kaarten. Daar behoeft als gezegd evenwel niet aan toegekomen te worden.
naar inhoudin strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde enerzijds en anderzijds die waarvan het aangaan,
de sluitingvan het contract zelf dat is. Uit deze systematiek lijkt te volgen dat wanneer sprake is van een
naar inhoudmet dwingend recht strijdige bepaling, de
sanctie automatisch nietigheidis, maar dat is niet (langer) zo. Inmiddels is daarover in vaste rechtspraak het volgende uitgemaakt [18] :
in elk geval te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet, en daarvan in de motivering van zijn oordeel rekenschap af te leggen.” (cursivering toegevoegd, A-G)
nietgaat om een afspraak die strijdig is met een wettelijk verbod van
publiekrechtelijke aard, bij het opstellen waarvan de wetgever niet de
privaatrechtelijke gevolgenvoor ogen had en dus geen parallel optreedt met die eerdere rechtspraak dat in de dáár bedoelde gevallen van strijd met de wet niet automatisch sprake hoeft te zijn van strijd met de openbare orde. Hier beogen partijen een dwingendrechtelijke ontslagregeling buiten werking te stellen die bij uitstek is gericht op doorwerking in hun privaatrechtelijke relatie. Daar hebben de in de s.t. onder 52 genoemde auteurs [23] ook op gewezen. Ik onderschrijf (vgl. s.t. zijdens [eiser] onder 54) dat niet mogelijk moet om zijn via een vaststellingsovereenkomst dwingendrechtelijke ontslagbescherming weg te contracteren, omdat dat de bijl legt aan de wortel van de vigerende ontslagbescherming – door [eiser] aangeduid als de principiële kern van deze zaak.
onderdelen 4 en 5zijn louter voortbouwend van karakter. Onderdeel 4 klaagt dat gegrondbevinding van één of meer klachten in de onderdelen 1 t/m 3 ook de beslissing van het hof in rov. 7.3.3 aantast dat de vaststellingsovereenkomst “hoe dan ook in stand blijft”. Onderdeel 5 klaagt ten slotte alleen maar dat de uit de slotsom blijkende beslissingen van het hof in rov. 7.5 voortbouwen op de in de onderdelen 1 t/m 4 bestreden beslissingen en hun lot dienen te delen. Ik geef eerst de integrale rov. 7.3.3 en 7.5 weer: