Conclusie
1.Feiten
geenontbindende voorwaarden
3.Bespreking van het middel
[B] heeft in dit geding zeer nadrukkelijk het tekortschieten van [D] in haar positie van opdrachtnemer ter discussie gesteld en daar een vordering tot schadevergoeding op gebaseerd, zoals nader gemotiveerd in de onderdelen 15 t/m 20 van de dagvaarding in vrijwaring en geformuleerd in het petitum” en
In alle gevallen zou het voldoen van [D] aan haar beroepsvoorschriften niet tot de huidige voor [B] zo onverkwikkelijke situatie hebben geleid”.
Voor zover [A] inderdaad [B] aan een koopovereenkomst kan houdenis dit het gevolg van onzorgvuldig handelen van gedaagden (…) dat moet gekwalificeerd als tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen jegens [B].”
Voor zover, derhalve, [B] door [A] aan het bestaan van een koopovereenkomst kan worden gehouden gehouden [9] heeft hij verhaal op [D] vanwege haar tekortschieten jegens [B] bij het uitvoeren van de door [B] gegeven opdracht.”
wanneer deze onverhoopt zou oordelen dat [B] gebonden is aan de koopovereenkomst(…) [B] voor de hierdoor door hem geleden schade verhaal heeft op [D], nu deze schade uiteindelijk is veroorzaakt door haar onzorgvuldig handelen c.q. tekortschieten.
wanneer het vonnis in de hoofdzaak in stand zou blijven[D] ter veroordelen te veroordelen tot a) datgene waartoe [B] in die hoofdzaak is en nog mocht worden veroordeeld (petitum II); b) de schade doordat hij ongewild eigenaar is van een loods die gezien de bouwkundige staat, de toestand van de bodem en de erfdienstbaarheden lang niet de waarde heeft van de daarvoor betaalde prijs (petitum I), tenslotte [D] te veroordelen in de kosten van het geding (petitum III).”
veronderstelde strekkingaan hem heeft willen voorleggen en de betrekkelijk knellende band van art. 79 lid 1 RO Pro. Een band die m.i. niet gemakkelijk zou moeten worden doorgesneden omdat het voorzienbare gevolg is dat de Hoge Raad zal worden geconfronteerd met wagonladingen zaken waarin niet goed of weinig optimaal is geprocedeerd met het verzoek om te herstellen wat (één van) de rechtshulpverleners niet goed zou hebben gedaan. We worden thans al veel te veel getrakteerd op zaken die vanuit juridisch oogpunt niets belangwekkends brengen en waarin we worden gedwongen ons heen te werken door kluwen motiveringsklachten. In toenemende mate wint de gedachte veld dat hiertegen een dam moet worden opgeworpen; art. 80a RO is daarvan een voorbeeld.