Conclusie
1.Feiten en procesverloop
grieven I en IIkomt zij op tegen het oordeel van de rechtbank dat volgens Algerijns recht de saldi op de diverse gezamenlijke bankrekeningen toekomen aan de man en dat het verzoek van de vrouw te bepalen dat haar de helft toekomt van het door de man onttrokken bedrag ad € 200.000,- moet worden afgewezen. Met
grief Ivoert zij aan dat volgens Algerijns recht partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn in huis, hypotheeklening en gezamenlijke bankrekeningen. [9] Met
grief IIonderbouwt zij dit verder en beroept zij zich er voorts nog op, “geheel subsidiair, ingeval Uw Hof m.b.t. ’s mans vordering tot toebedeling van het spaarloon, toch aansluiting zou zoeken met Nederlands recht”, dat de man onder meer met de storting van de opbrengst van het ‘provident fund’ op de gemeenschappelijke rekening heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis en pas jaren later het geld heeft weggesluisd en is gaan beweren dat het geen gemeenschapsgeld zou betreffen. [10]
grief IIIkomt zij op tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de taxatie(waarde) en voert zij aan dat de rechtbank de door de vrouw overlegde taxatie ad € 305.000,- als onvoldoende weersproken had moeten overnemen, in plaats van partijen op te zadelen met weer nieuwe taxaties. [11]
grieven IV en Vkomt zij op tegen het oordeel van de rechtbank dat de man bij toedeling aan de vrouw of verkoop aan een derde recht heeft op vergoeding van door hem op de hypothecaire lening gedane aflossingen. Zij voert hiertoe – in aansluiting op de grieven I en II – aan dat die aflossingen gedaan zijn van een gezamenlijke bankrekening waarvan het saldo aan ieder der partijen bij helfte toekomt. [12]
grief IXten slotte, komt de vrouw – voor zover in cassatie relevant – (nogmaals) op tegen het gehele dictum van de bestreden beschikking betreffende de gezamenlijke bankrekeningen en de echtelijke woning, met herhaling van het door haar in de voorgaande grieven gestelde. In dit kader stelt zij dat de beperkte gemeenschap tussen partijen dient te worden verdeeld zoals door haar verzocht bij brief van 14 augustus 2012 aan de rechtbank en het daarbij gevoegde voorstel tot verdeling, op grond waarvan haar door de man een bedrag ad € 45.603,27 wegens overbedeling dient te worden betaald. [13]
per saldobij helfte verdeeld. De echtelijke woning, hypothecaire lening en onttrekking ad € 92.225,80 worden daarbij aan de vrouw toegedeeld, en de gezamenlijke bankrekeningen en de onttrekkingen ad € 200.000,- aan de man.
Algemeen
Saldi bankrekeningen
2.Beoordeling van het principaal cassatieberoep
ten onrechte niet heeft beslistop het in appel gehandhaafde verzoek van de vrouw de door de man verrichte opnames van de gemeenschappelijke rekeningen ad € 200.000,- in de verrekening te betrekken. Daartoe wordt aangevoerd dat dit verzoek besloten ligt in haar verzoek tot vergoeding van de overwaarde van de beperkte gemeenschap ad per saldo € 45.603,- overeenkomstig de overgelegde staat [19] , aan welk verzoek met de beslissing in rov. 35 – dat het saldo van een bankrekening die op naam van beide partijen staat aan partijen, ieder voor de helft, toekomt – de door de rechtbank gebezigde afwijzingsgrond is ontvallen.
afgewezen, ontbreekt daartoe de motivering, aldus de vrouw.
“bevel aan de man binnen 48 uur na daartoe gevorderd te zijn mede te werken aan de overdracht aan de vrouw van zijn aandeel in de woning (…), onder vergoeding aan de vrouw van de overwaarde van de beperkte gemeenschap ad € 45.603,-, te vermeerderen met wettelijke rente (…).”Blijkens deze tekst – de woorden “onder vergoeding” – wordt de vergoeding van de overwaarde gekoppeld aan de levering van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw. Nu het bevel tot medewerking aan de levering is afgewezen (rov. 38), wordt aan (een veroordeling tot) vergoeding van de overwaarde niet toegekomen, zo zou de gedachte kunnen zijn.
onttrekkingenin beginsel partijen in gelijke mate toekomen (rov. 41). Dat dit laatste is geschied op het daartoe strekkend verzoek van de man in incidenteel appel doet daaraan m.i. niet af.
in het licht van rov. 39, niet anders worden begrepen dan dat daarbij het dictum van de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarin (onder ‘echtelijke woning’, sub a en sub b) is beslist dat de man (bij de overdracht resp. na de verkoop) zal worden vergoed hetgeen hij uit eigen middelen heeft afgelost op de hypothecaire geldlening. Daarmee komt de afwijzing van het door de man op dit punt zelfstandig verzochte alsnog te vallen onder de afwijzing, door de rechtbank, van het meer of anders ter zake van de vermogensrechtelijke afwikkeling verzochte. De beslissing van het hof is derhalve niet incompleet, noch innerlijk tegenstrijdig.
onderdeel Dwordt geklaagd dat rov. 38 onbegrijpelijk is voor zover daarin wordt gerefereerd aan een opschortende voorwaarde, nu in de beschikking in eerste aanleg ook expliciet is gerefereerd aan een ontbindende voorwaarde. Voor zover het hof hiermee beslist heeft dat in de beschikking in eerste aanleg niet een ontbindende voorwaarde maar een opschortende voorwaarde was gegeven, ontbreekt redengeving voor en inzicht in die gedachtegang, aldus het onderdeel.
ontbindendevoorwaarde dat de vrouw binnen twee maanden
aantoontdat zij financieel in staat is het aandeel van de man te verwerven. Het is van tweeën één: óf beoogd is een
ontbindendevoorwaarde dat de vrouw
nietbinnen twee maanden aantoont in staat te zijn tot verwerving, óf een
opschortendevoorwaarde dat zij
welaantoont in staat te zijn tot verwerving. Nu de rechtbank, naar aanleiding van het verzoek van de vrouw om toedeling, heeft overwogen dat het niet duidelijk is of de vrouw in staat zal zijn tot financiering en dat haar de gelegenheid zal worden gegeven om aan te tonen dat zij daartoe is staat is (beschikking, p. 6), is het niet onbegrijpelijk – ligt het, integendeel, zelfs voor de hand – dat het hof de door de rechtbank gestelde voorwaarde heeft opgevat als een opschortende voorwaarde.
3.Beoordeling van het incidenteel cassatieberoep
onderdeel I.1heeft het hof, door niet op het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente te beslissen, art. 23 Rv Pro geschonden.
Onderdeel I.2klaagt dat, indien het hof dit deel van het verzoek heeft afgewezen, zijn oordeel in het geheel niet met redenen omkleed is, zodat het niet alleen onbegrijpelijk is maar ook niet voldoet aan de minimale motiveringseis van art. 30 Rv Pro.