ECLI:NL:PHR:2014:1914

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 oktober 2014
Publicatiedatum
3 november 2014
Zaaknummer
14/04005
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat vergoeding bruikleenovereenkomst geen huurprijs is

In deze zaak stond centraal of de maandelijkse vergoeding van €192,50 die eisers betaalden op grond van bruikleenovereenkomsten moest worden aangemerkt als een huurprijs in de zin van art. 7:201 BW Pro. De bruikleenovereenkomsten werden opgezegd vanwege sloop van het pand.

Eisers stelden dat sprake was van huur omdat de vergoeding een tegenprestatie was voor het gebruik van het pand. Rechtbank en hof verwierpen dit standpunt en oordeelden dat de vergoeding slechts een kostenvergoeding betrof. Het hof motiveerde dit met het feit dat de vergoeding niet meer dan de gemaakte onkosten dekte, zoals kosten voor gebruik en energie, die hoger waren dan de vergoeding.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de vergoeding geen huurprijs is, omdat deze slechts een vergoeding voor kosten betreft en niet als tegenprestatie voor het gebruik is bedoeld. De klachten van eisers faalden en het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard; de vergoeding is geen huurprijs maar een kostenvergoeding.

Conclusie

Rolnr. 14/04005
Mr M.H. Wissink
Zitting van 24 oktober 2014
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van:
1.
[eiser 1]
2.
[eiseres 2]
beiden wonende te [woonplaats],
eisers tot cassatie,
tegen
Camelot Beheer B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
verweerster in cassatie
1. Het bij dagvaarding van 8 juli 2014 door eisers tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het in kort geding gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) van 13 mei 2014. Daarin bekrachtigde het hof het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 9 april 2014 waarbij, kort gezegd, eisers zijn veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het vonnis het sinds 1 maart 2013 door hen bewoonde pand aan de [a-straat] te [woonplaats] te ontruimen, dit op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-. Verweerster in cassatie is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. De klachten van het middel rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2. [eiser 1] en [eiseres 2] bewonen het pand met kinderen op basis van bruikleenovereenkomsten die zij ieder met Camelot Beheer hebben gesloten en die hen ieder verplichten tot betaling van een bruikleenvergoeding van € 192,50 per maand. Nadat de opdrachtgever van Camelot Beheer had aangegeven het pand te gaan slopen ten behoeve van de realisatie van een supermarkt, heeft Camelot Beheer de bruikleenovereenkomsten opgezegd per 8 januari respectievelijk 14 februari 2014 (zie nader het vonnis, rov. 2.1-2.7). [eiser 1] en [eiseres 2] hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake is van huur, omdat de betalingen van € 192,50 per maand moeten worden aangemerkt als tegenprestatie voor het gebruik van de zaak als bedoeld in art. 7:201 BW Pro. Rechtbank en hof hebben dit standpunt verworpen.
3. Het middel klaagt over rov. 4.3, waarin het hof oordeelt dat Camelot Beheer ook in hoger beroep voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de maandelijkse vergoeding van 2 x € 192,50 ziet op voor rekening van [eiser 1] en [eiseres 2] te brengen onkosten en dus geen tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW Pro zijn. Het hof wijst in het bijzonder op (i) kosten ad € 4.500,- die Camelot Beheer en/of de eigenaar (hebben) moeten maken voor het gebruik door [eiser 1] en [eiseres 2], gelet ook op de beoogde korte duur van het gebruik, en (ii) de omstandigheid dat naast de maandelijkse vergoeding geen gebruikelijke gebruikerslasten (waaronder die voor gas, water en licht) betaald hoeven te worden, terwijl het aan Eneco te betalen voorschot voor levering van gas en elektriciteit al € 450,- per maand is, en dat aannemelijk is dat het daaraan ten grondslag liggende energiegebruik grotendeels kan worden toegerekend aan de bewoning van het pand door [eiser 1] en [eiseres 2] en hun omvangrijke gezin.
4. Volgens het
eerste middelis het hof uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip tegenprestatie in art. 7:201 BW Pro, omdat in zijn uitleg ten onrechte de daadwerkelijk gemaakte onkosten doorslaggevend zijn, terwijl de juiste uitleg is of bij het aangaan van de overeenkomst deze onkosten zijn beoogd en daarmee is beoogd de vergoeding niet meer dan kostendekkend te doen zijn (zie ook de toelichting op blad 2, laatste alinea, en blad 3, eerste alinea, van de cassatiedagvaarding).
Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet het belang miskend van hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst omtrent het karakter van de maandelijkse vergoeding voor ogen stond. [1] Echter, in verband met de kwestie of partijen inderdaad een kostenvergoeding voor ogen stond, speelde in de procedure de vraag of Camelot Beheer aannemelijk had gemaakt dat de gebruiksvergoeding slechts betrekking had op gemaakte onkosten (zie vonnis rov. 4.3, 4.4 en 4.7 en arrest rov. 4.3). Die vraag wordt in rov. 4.3 door het hof beantwoord. Die vraag rees kennelijk omdat de bruikleenovereenkomsten een waslijst van posten presenteren voor diensten die allemaal door Camelot Beheer ten behoeve van de gebruikers verleend zouden worden (zie vonnis rov. 2.3), zodat behoefte was aan inzicht in de werkelijk voor bepaalde posten gemaakte kosten. Daartoe dienden in deze zaak in ieder geval de hiervoor onder 3 sub (i) en (ii) genoemde kostenposten (de overige posten heeft het hof blijkens rov. 4.3, zesde volzin, buiten beschouwing kunnen laten).
5. De rechtsklacht van het
tweede middelherhaalt die van het eerste middel en deelt het lot daarvan. De motiveringsklachten van het tweede middel falen.
De eerste motiveringsklacht voert slechts een van de beoordeling door het hof afwijkend feitelijk uitgangspunt aan door te stellen dat sprake is van toevallig gerealiseerde hoge onkosten die niet in retrospectief in de weg kunnen staan aan aanmerking van de vergoedingen als tegenprestatie in de zin van art. 7:201 BW Pro. De passages in de gedingstukken waarop wordt gewezen in de toelichting vanaf blad 3, tweede alinea, van de cassatiedagvaarding (CvA nr. 4 en de pleitnota’s in beide instanties) betreffen het in rov. 4.3 van het vonnis weergegeven verweer van [eiser 1] en [eiseres 2] dat in beide instanties is onderzocht.
De tweede motiveringsklacht miskent dat het hof omtrent de energiekosten heeft overwogen dat aannemelijk is dat het aan het aan Eneco te betalen voorschot van € 452,- ten grondslag liggende energiegebruik grotendeels kan worden toegerekend aan de bewoning van het pand door [eiser 1] en [eiseres 2] en hun omvangrijke gezin. Daarmee verdisconteert het hof zowel dat aan het voorschot betekenis toekomt (ook al is, volgens het middel, onduidelijk gebleven wat de werkelijke kosten zijn) en dat [eiser 1] en [eiseres 2] niet de enige gebruikers van het pand waren.
6. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Huurrecht, art. 7:201 BW Pro, aant. 21; L.L. de Boef, Sdu Commentaar Huurrecht, art. 7:201 BW Pro, aant. C.2.2; H.J. Rossel, Huurrecht algemeen, 2011, p. 14-17; M. van Schie, in: J. Sengers en P. van der Sanden (red), Huurrecht Woonruimte, 2013, p. 22.