Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2]
eerste middelis het hof uitgegaan van een onjuiste uitleg van het begrip tegenprestatie in art. 7:201 BW Pro, omdat in zijn uitleg ten onrechte de daadwerkelijk gemaakte onkosten doorslaggevend zijn, terwijl de juiste uitleg is of bij het aangaan van de overeenkomst deze onkosten zijn beoogd en daarmee is beoogd de vergoeding niet meer dan kostendekkend te doen zijn (zie ook de toelichting op blad 2, laatste alinea, en blad 3, eerste alinea, van de cassatiedagvaarding).
tweede middelherhaalt die van het eerste middel en deelt het lot daarvan. De motiveringsklachten van het tweede middel falen.