ECLI:NL:PHR:2014:1926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
4 november 2014
Zaaknummer
12/01860
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81.1 ROArt. 1 lid 5 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling deelneming aan criminele organisatie en medeplegen drugssmokkel met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het hof stelde vast dat verdachte in de periode van januari 1997 tot april 1999 betrokken was bij het buiten Nederland brengen van hasjiesj, verpakt in legale producten, en daarvoor werd betaald.

Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld met het middel dat niet bewezen kon worden dat verdachte opzet had op het buiten Nederland brengen van hasjiesj. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs, waaronder diverse bewijsmiddelen, voldoende is om het opzet te bevestigen, mede gelet op de rol van verdachte binnen de organisatie en de gangbare werkwijze in de drugshandel.

De Hoge Raad constateerde dat het cassatieberoep meer dan twee jaar na indiening werd behandeld, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Dit leidt tot strafvermindering. Verder zijn geen gronden gevonden om het arrest ambtshalve te vernietigen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafduur en vermindert deze naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn

Conclusie

Nr. 12/01860
Zitting: 9 september 2012
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens “1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, en “2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummer 12/01660, 12/01740, 12/01857, 12/01858P, 12/01859, 12/01860 en 12/01861P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat, zoals onder 2 is bewezenverklaard, verdachte opzet had op het buiten het grondgebied van Nederland brengen van hashish.
5. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 1997 tot en met 20 april 1999 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk telkens buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), dit zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
6. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder bewijsmiddelen 2, 13 en 26 moet het oordeel van het Hof aldus worden verstaan, dat verdachte als iemand die blijkens de gebezigde bewijsmiddelen deelnam aan een organisatie die tot oogmerk had de handel in verdovende middelen, minstgenomen moet hebben begrepen dat de plakken hash werden verpakt in legale producten om de hash naar het buitenland uit te voeren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk omdat in de wereld van de handel in verdovende middelen van algemene bekendheid is dat verdovende middelen worden verstopt in te verzenden goederen om deze naar het buitenland uit te voeren, het blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ging om meerdere transporten van blokken hash van een halve of een hele kilo, en de verdachte voor het verpakken van de hash werd betaald.
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
8. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 29 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
9. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG