ECLI:NL:PHR:2014:1933

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2014
Publicatiedatum
4 november 2014
Zaaknummer
13/03510
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang en kansloos middel noodweer

Het cassatieberoep betreft een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte stelde twee middelen van cassatie voor. Het eerste middel klaagde over een kennelijke misslag in de bewezenverklaring omtrent de plaats van de moord, die niet expliciet op Curaçao werd vermeld, terwijl het hof verdachte toch veroordeelde. De Hoge Raad oordeelde dat dit een kennelijke misslag betreft die met verbetering kan worden gelezen en dat verdachte geen belang heeft bij vernietiging op deze grond.

Het tweede middel betrof de verwerping van het beroep op noodweer door het hof, waarbij werd aangevoerd dat noodweer ook geldt ter verdediging van een ander. De Hoge Raad stelde vast dat verdachte zich uitsluitend op eigen verdediging had beroepen en ontkende dat hij handelde ter verdediging van anderen. Het hof had op basis van videobeelden en getuigenverklaringen geoordeeld dat noodweer niet aannemelijk was, een oordeel dat niet onjuist of onbegrijpelijk was.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat het eerste middel onvoldoende belang opleverde en het tweede middel klaarblijkelijk kansloos was. Hiermee werd het arrest van het hof bevestigd zonder inhoudelijke vernietiging.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en kansloosheid van het middel over noodweer.

Conclusie

Nr. 13/03510
Zitting: 7 oktober 2014
Mr. Spronken
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam heeft tijdig twee middelen van cassatie voorgesteld.
In het eerste middel wordt geklaagd dat in het door het hof bevestigde vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 18 augustus 2010 sprake is van grondslagverlating, omdat het Gerecht bij de bewezenverklaring van de onder 1. ten laste gelegde moord niet heeft vermeld dat deze op het eiland Curaçao is gepleegd en verdachte ten aanzien van dit onderdeel dus kennelijk heeft vrijgesproken, maar het hof verdachte desalniettemin heeft veroordeeld.
De bewezenverklaring in het vonnis ten aanzien van dit feit vermeldt in het geheel geen plaats. Ik ben van oordeel dat dit op een kennelijke misslag berust, nu uit de bewijsmiddelen overduidelijk blijkt dat het feit op Curaçao is gepleegd, de verdediging blijkens de aan het Gerecht overgelegde pleitnota daar ook van is uitgegaan en in de bewezenverklaring van het tweede feit ten aanzien van het vuurwapen waarmee de onder 1 bewezenverklaarde moord is gepleegd, de plaats ‘op het eiland Curaçao’ wel is opgenomen. De klacht is weliswaar terecht maar hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de Hoge Raad de bewezenverklaring met verbetering van de kennelijke misslag zou kunnen lezen. Wat hier ook van zij, de verdachte heeft geen enkel belang bij vernietiging van het vonnis op deze grond.
Het tweede middel stelt aan de orde dat het beroep op noodweer is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, omdat het hof zou hebben miskend dat noodweer ook mogelijk is als zulks geboden is door de noodzakelijke verdediging van eens anders lijf. Dat moge op zichzelf juist zijn, maar het middel is evident kansloos omdat het feitelijke grondslag mist. Uit het gevoerde verweer en hetgeen verdachte zelf ter zitting van het hof heeft verklaard, blijkt dat verdachte zich uitdrukkelijk erop heeft beroepen dat zijn handelen noodzakelijk was voor zijn eigen verdediging en juist heeft ontkend dat hij zou hebben gehandeld ter verdediging van anderen dan hemzelf, toen gesuggereerd werd dat hij als bodyguard was opgetreden van een van de mannen waarmee het slachtoffer in gevecht was geraakt. [1] Het hof is na eigen waarneming van de videobeelden van het voorval, die ter terechtzitting zijn afgespeeld, en op grond van daarmee corresponderende getuigenverklaringen tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van noodweer. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook alleszins begrijpelijk.
6. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat enerzijds verdachte bij het eerste middel onvoldoende belang heeft en omdat het tweede middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof d.d. 4 april 2013.