Conclusie
2.Procesverloop
hetzijook de Infrarooddroger moeten verwerven (indien dat met de gelet op de gedane biedingen beschikbare middelen mogelijk was),
hetzijhet bod van 4PET niet zonder meer mogen accepteren.
ofwelin de gelegenheid moeten stellen haar bod in te trekken
ofweldat aan te passen. Diezelfde mogelijkheid zou dan ook geboden moeten zijn aan de andere kandidaatkopers die een bod hadden gedaan, en er had een nieuwe biedingsronde moeten worden gehouden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
hetzijde Infrarooddroger te verwerven
hetzijhet bod van 4PET niet zonder meer te accepteren (zie rov. 4.8, 4.9). Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en dat het oordeel althans onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. In dit verband beroept het onderdeel zich – onder meer – op de volgende stellingen en feiten:
hetzijook de Infrarooddroger moeten verwerven (indien dat met de gelet op de gedane biedingen beschikbare middelen mogelijk was),
hetzijhet bod van 4PET niet zonder meer mogen accepteren” (zie rov. 4.6 t/m 4.9). Dit oordeel is – zoals onderdeel 2 betoogt – in het licht van de door het onderdeel aangeduide feiten en stellingen onbegrijpelijk. Uit het bestreden arrest blijkt, zoals het onderdeel terecht opmerkt, dat 4PET (in elk geval volgens haar eigen stellingen) in elk geval kort na aanvang van het faillissement van Folietechniek wist dat de boedel (Folietechniek) niet het eigendomsrecht van de Infrarooddroger had (zie onder meer rov. 4.7 en 4.8). De door het hof geciteerde passages uit de tussen 4PET en de curator gesloten overeenkomst, vermelden dat de goederen waarop een rechtsgeldig eigendomsvoorbehoud rust of waarop door derden anderszins rechtsgeldig aanspraak kan worden gemaakt, niet onder de koop en levering vallen (zie rov. 4.4 onder (f) en (m); vgl. ook rov. 4.4 onder (q) en rov. 4.7, 4.9 en 4.16). Verder is niet komen vast te staan dat de curator had toegezegd dat de Infrarooddroger in ieder geval tot de te verkopen goederen behoorde (zie met name rov. 4.16). Niet is in te zien hoe het hof gegeven deze omstandigheden, en gezien hetgeen verder in het bestreden arrest overwogen is, tot het oordeel heeft kunnen komen dat de curator desondanks
ofwelde Infrarooddroger in eigendom had moeten verwerven
ofwelhet bod van 4PET niet op deze manier had mogen accepteren. Het bestreden oordeel is daarmee onbegrijpelijk. Indien het hof al is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, dan is het oordeel in elk geval onvoldoende gemotiveerd.