ECLI:NL:PHR:2014:199

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 maart 2014
Publicatiedatum
21 maart 2014
Zaaknummer
13/04683
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b WjzArt. 5 lid 1 EVRMArt. 12 IVRKArt. 198 RvArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling instemmingsverklaring gedragswetenschapper bij verlenging gesloten jeugdzorg

In deze zaak staat de verlenging van een machtiging tot gesloten jeugdzorg voor een onder toezicht gestelde minderjarige centraal. De gedragswetenschapper gaf een instemmingsverklaring op basis van dossieronderzoek en een gesprek met de jeugdige, maar weigerde aanvullende stukken van de advocaat van de jeugdige mee te nemen in haar onderzoek. De rechtbank verwierp het verweer dat dit onzorgvuldig was en ook het hof bevestigde dit oordeel.

De jeugdige stelde in hoger beroep dat de gedragswetenschapper niet onafhankelijk was omdat zij in dienst was van Bureau Jeugdzorg en dat zij niet voldeed aan het vereiste van een zorgvuldig en objectief onderzoek zoals bedoeld in de Wet op de jeugdzorg en het EVRM. De Hoge Raad overwoog dat de gedragswetenschapper geen bestuursorgaan is en dat het onderzoek voorafgaat aan de procedure bij de rechter, waarbij de jeugdige wel de mogelijkheid heeft om zijn zienswijze naar voren te brengen.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het dienstverband van de gedragswetenschapper bij Bureau Jeugdzorg niet automatisch afdoet aan de objectiviteit van haar verklaring, tenzij bijkomende omstandigheden worden gesteld. Ook werd geoordeeld dat de vrijheidsbeneming tot het moment van het hofbesluit rechtmatig was en dat het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming niet toewijsbaar was omdat geen onrechtmatigheid was vastgesteld.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de verlenging van de gesloten jeugdzorg en de wijze waarop de instemmingsverklaring tot stand kwam.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de instemmingsverklaring en de verlenging van gesloten jeugdzorg zijn rechtmatig.

Conclusie

13/04683
Mr. F.F. Langemeijer
7 maart 2014
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
Het gaat in deze zaak om een (inmiddels beëindigde) machtiging tot plaatsing van een onder toezicht gestelde minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten [1] :
1.1.1.
Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 30 maart 2012 is verzoeker tot cassatie (geboren op [geboortedatum] 1995, hierna: de jeugdige) onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.
1.1.2.
Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank machtiging verleend om de jeugdige op te nemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot 30 maart 2013 [2] . De jeugdige is op basis hiervan opgenomen in een accommodatie.
1.2.
Bij verzoekschrift van 8 februari 2013, ingekomen 11 februari 2013, heeft Bureau Jeugdzorg de rechtbank verzocht zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging voor gesloten jeugdzorg te verlengen. Bij het verzoekschrift was een “Plan van Aanpak en indicatiebesluit” d.d. 8 februari 2013 gevoegd met een verklaring als bedoeld in art. 29b van de Wet op de jeugdzorg (Wjz). Op 14 maart 2013 heeft Bureau Jeugdzorg een instemmende verklaring nagezonden, op dezelfde datum opgemaakt door een gedragswetenschapper, namelijk de orthopedagoog en gezondheidszorgpsycholoog [betrokkene]. In haar verklaring heeft de gedragswetenschapper de dossierstukken opgesomd die Bureau Jeugdzorg haar ter beschikking had gesteld voor het onderzoek. Op grond van feiten en bevindingen uit dat dossier en een gesprek met de jeugdige op 11 maart 2013 kwam de gedragswetenschapper tot de slotsom dat aan de maatstaf van het derde lid van art. 29b Wjz is voldaan.
1.3.
In een brief d.d. 14 maart 2013 aan de kinderrechter heeft de advocaat van de jeugdige geprotesteerd: hij had via de gezinsvoogd de wens te kennen gegeven dat de gedragswetenschapper bepaalde (aanvullende) stukken die hij op 13 maart 2013 aan de kinderrechter had toegestuurd, in haar onderzoek zou meenemen. Op 13 maart 2013 heeft de gedragswetenschapper hem laten weten dat zij deze stukken niet in haar onderzoek zou betrekken: volgens haar was er − naast het gesprek met de jeugdige − geen ruimte om namens de jeugdige stukken voor het onderzoek in te brengen [3] . De brief van de advocaat vervolgt: “Ten onrechte biedt de gedragswetenschapper niet de mogelijkheid het dossieronderzoek uit te breiden na informatie die namens de minderjarige naar voren wordt gebracht. Hierdoor is de minderjarige slechts in staat middels een relatief kort gesprek zijn kant van het verhaal te vertellen, zonder dat hij de mogelijkheid heeft dit schriftelijk te onderbouwen”.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling bij de kinderrechter heeft de advocaat namens de jeugdige als verweer onder meer aangevoerd dat het onderzoek als bedoeld in art. 29b, vijfde lid, Wjz, niet voldoende zorgvuldig is geweest: ten onrechte heeft de gedragswetenschapper geen rekening gehouden met de informatie die de advocaat haar wilde aanreiken.
1.5.
Bij beschikking van 19 maart 2013 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd tot 26 december 2013 (de 18e verjaardag). De rechtbank heeft met ingang van 30 maart 2013 een machtiging voor gesloten jeugdzorg verleend met een geldigheidsduur tot 30 november 2013 [4] . De rechtbank verwierp het hiervoor genoemde verweer:
“Bij de totstandkoming van de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige is gebruik gemaakt van de door de stichting ter beschikking gestelde informatie en documenten. De ter beschikking gestelde dossierstukken zijn genoemd in de instemmingsverklaring. De minderjarige is door de gedragsdeskundige gesproken. Het is in beginsel aan de gedragsdeskundige te beoordelen welke informatie zij betrekt bij de beoordeling. De stukken die de advocaat had aangereikt zijn door haar daarbij buiten beschouwing gelaten. Deze stukken zijn wel aan de rechtbank overgelegd en de kinderrechter heeft daar kennis van genomen.”
Ook overigens zag de rechtbank geen reden om de instemmingsverklaring onzorgvuldig te achten. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat een behandeling waarvoor de jeugdige op een wachtlijst stond werd afgerond.
1.6.
De jeugdige heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag [5] . Naast vernietiging van de beroepen beschikking, verzocht hij hem op grond van art. 5 lid 5 EVRM Pro een schadevergoeding toe te kennen voor de ten onrechte ondergane vrijheidsbeneming.
1.7.
In hoger beroep is een nieuw plan van aanpak annex indicatiebesluit d.d. 21 juni 2013 overgelegd. Met het argument dat in dit nieuwe indicatiebesluit staat vermeld: “Met dit indicatiebesluit komen alle eerder afgegeven indicatiebesluiten te vervallen”, is namens de jeugdige aangevoerd dat de vorige indicatiebesluiten de vrijheidsbeneming niet meer kunnen dragen. Ook het nieuwe besluit levert volgens de jeugdige geen basis op voor vrijheidsbeneming: in het nieuwe plan van aanpak is een MDFT-traject vanuit de thuissituatie voorgesteld; dus is er geen grond meer aanwezig voor behandeling in een gesloten setting. Daarbij komt nog dat ten aanzien van het plan van aanpak van 21 juni 2013 een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper ontbreekt.
1.8.
Bij beschikking van 3 juli 2013 heeft het hof de beroepen beschikking uitsluitend wat betreft de geldigheidsduur vernietigd. Het hof heeft bepaald dat de machtiging eindigt op 3 juli 2013. De jeugdige is daarop vrij gelaten. In reactie op de grieven overwoog het hof:
“10. Nog daargelaten het antwoord op de juridische vraag of door het bij het nieuwe plan van aanpak behorende indicatiebesluit van 21 juni 2013 – dat immers alle eerder afgegeven indicatiebesluiten vervallen heeft verklaard – in combinatie met het ontbreken van een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper daarbij niet de grondslag aan de destijds verleende machtiging tot gesloten plaatsing is komen te ontvallen, is het hof uit genoemd nieuwe plan van aanpak gebleken dat Jeugdzorg een andere weg is ingeslagen. Uit het nieuwe plan van aanpak blijkt, zoals ook ter zitting door partijen besproken, dat de minderjarige niet gemotiveerd is voor een vervolgtraject bij Rijnhove, hij wel gemotiveerd is om naar school te gaan en een bijbaan te zoeken. De minderjarige wil graag thuis wonen. Jeugdzorg beseft dat de minderjarige in december 2013 18 jaar wordt en dat het niet in zijn belang is om hem nog langer gesloten te plaatsen, ondanks dat hij zich recent wederom heeft onttrokken aan zijn behandeling. Jeugdzorg kiest er daarom thans voor om de minderjarige en zijn ouders passende hulp te bieden in de thuissituatie in de vorm van MDFT. (…) Het enkele argument van Jeugdzorg om met de machtiging gesloten plaatsing een stok achter de deur te hebben als het niet goed mocht gaan, is naar het oordeel van het hof gezien het vorenstaande volstrekt onvoldoende om een dergelijk zware maatregel thans nog te rechtvaardigen.
11. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat weliswaar de machtiging indertijd terecht is afgegeven, maar thans klaarblijkelijk niet langer sprake is van dermate ernstige gedragsproblemen die een verdere voortzetting van de machtiging tot gesloten plaatsing rechtvaardigen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat er van moet worden uitgegaan dat de door Jeugdzorg met de gesloten plaatsing beoogde belangen niet (meer) in redelijke verhouding staan tot de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de minderjarige die de thans geldende machtiging tot gesloten plaatsing naar haar aard vormt. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat voor voortzetting van de machtiging gesloten plaatsing bij gebreke van proportionaliteit van die maatregel, geen grond meer bestaat. Het vorenstaande brengt mee dat van onrechtmatige vrijheidsbeneming tot op met moment van deze beschikking geen sprake is (geweest) zodat voor het toekennen van de door de minderjarige verzochte schadevergoeding geen plaats is, nog daargelaten dat een dergelijk verzoek gelet op het bepaalde in artikel 362 Rv Pro niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan.”
1.9.
De jeugdige heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. Op grond van een in het cassatierekest gemaakt voorbehoud is het cassatiemiddel aangevuld na de ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. Bureau Jeugdzorg heeft in cassatie verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Onderdeel 1 heeft betrekking op het vereiste van een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper. Onderdeel 2 ziet op het rechtsgevolg van de bepaling in het indicatiebesluit van 21 juni 2013, dat alle voorgaande besluiten komen te vervallen. Onderdeel 3 klaagt over de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
2.2.
Onderdeel 1klaagt dat het hof niet adequaat is ingegaan op de derde grief van de zijde van de jeugdige: het hof heeft het bepaalde in art. 29b Wjz en/of art. 3:2 Awb Pro, althans het in de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, onjuist toegepast dan wel verzuimd de verklaring van de gedragswetenschapper, de wijze waarop deze tot stand is gekomen en het feit dat de gedragswetenschapper in dienst was van Bureau Jeugdzorg, te toetsen aan de eisen in art. 5 EVRM Pro [6] .
2.3.
In hoger beroep, in de toelichting op zijn derde grief, heeft de jeugdige naar voren gebracht dat de verklaring van de gedragswetenschapper d.d. 14 maart 2013 uitsluitend is gebaseerd op (dossier-)informatie van Bureau Jeugdzorg en op het gesprek dat de gedragswetenschapper met de jeugdige heeft gehad. De gedragswetenschapper heeft de advocaat van de jeugdige geen gelegenheid gegeven om schriftelijk stukken in te brengen. Deze eenzijdigheid van het onderzoek door de gedragswetenschapper is volgens de grief in strijd met beginselen van een zorgvuldig onderzoek ex art. 3:2 Awb Pro [7] . Volgens de toelichting in het cassatierekest had de gedragswetenschapper, vanwege haar positie als onafhankelijk en neutraal onderzoekster, ook de informatie tot zich moeten nemen die namens de jeugdige werd aangereikt. Vervolgens was het aan de gedragswetenschapper om iets met deze informatie te doen (cassatierekest onder 18). De door het hof vermelde omstandigheid dat de advocaat van de jeugdige de desbetreffende stukken aan de kinderrechter heeft kunnen overleggen (en ook heeft overgelegd) maakt dit niet anders: het was hem erom te doen dat de gedragswetenschapper deze informatie zou betrekken in haar onderzoek. Volgens de klacht gaat het hier om een onherstelbaar gebrek. Bovendien is gehandeld in strijd met art. 12 IVRK Pro. De toelichting op de klacht wijst nog op het in art. 6 EVRM Pro bedoelde beginsel van
equality of arms(cassatierekest onder 19). De vraag of het onderzoek ook aan objectiviteit heeft ingeboet door het feit dat de gedragswetenschapper in dienst is van de stichting Bureau Jeugdzorg [8] , zal hierna afzonderlijk aan de orde komen.
2.4.
Art. 5, lid 1 onder d, EVRM staat vrijheidsbeneming overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure toe in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding. Het nationale recht, in het bijzonder art. 29b Wjz, regelt de onvrijwillige opneming van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg [9] . Het tweede en het derde lid van dit artikel geven aan in welke gevallen opname mogelijk is. In het derde lid is bepaald dat een machtiging voor opname in gesloten jeugdzorg slechts kan worden verleend indien
naar het oordeel van de kinderrechterde jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. De kinderrechter, niet Bureau Jeugdzorg, is dus de beslissende autoriteit. Het vierde lid stelt de eis dat Bureau Jeugdzorg een indicatiebesluit heeft genomen dat strekt tot verblijf (niet zijnde verblijf bij een pleegouder) [10] en een verklaring heeft afgegeven dat zich hier een geval voordoet als bedoeld in het derde lid. Deze verklaring behoeft ingevolge het vijfde lid de instemming van een gedragswetenschapper, behorend tot een door de minister aangewezen categorie [11] , die met het oog daarop de jeugdige kort tevoren heeft onderzocht.
2.5.
Indien het zou gaan om een door de rechter benoemde deskundige, zou art. 198 in Pro verbinding met art. 284 Rv Pro van toepassing zijn geweest. Het tweede lid van art. 198 Rv Pro bepaalt dat de deskundigen bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van die opmerkingen en verzoeken wordt in het schriftelijk bericht melding gemaakt [12] . Bij de berechting van een geschil, als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, verschaft deze bepaling aan elk van de procespartijen een gelijkwaardige kans om invloed uit te oefenen op het onderzoek (
equality of arms) [13] .
2.6.
In de onderhavige zaak gaat het niet om een door de rechter benoemde deskundige. De gedragswetenschapper wordt benaderd door alleen Bureau Jeugdzorg met een dossier en met het verzoek een instemmende verklaring af te geven. Het onderzoek door de gedragswetenschapper gaat vooraf aan de procedure op tegenspraak bij de rechtbank. Art. 29b lid 5 Wjz stelt geen eisen aan het onderzoek, anders dan dat de gedragswetenschapper behoort tot een door de minister aangewezen categorie [14] . De in de vorige alinea aangehaalde bepalingen en het aan art. 6 EVRM Pro ontleende beginsel van
equality of armszijn in de fase die aan de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper vooraf gaat nog niet aan de orde. In het middel wordt niet geklaagd dat de jeugdige of zijn advocaat in de procedure op tegenspraak bij de kinderrechter onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om de door hem van belang geachte informatie in het geding te brengen.
2.7.
Niettemin heeft de instemmende verklaring van een gedragswetenschapper betekenis voor de toetsing van het verzoek aan art. 5 lid 1 EVRM Pro. Het vereiste van een instemmende verklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper maakt immers deel uit van de in de nationale wet voorgeschreven procedure. De instemmende verklaring van de gedragswetenschapper vormt voor de betrokken jeugdige een bescherming tegen een willekeurige vrijheidsbeneming. Vanwege deze beschermende functie mogen eisen worden gesteld aan de objectiviteit van het onderzoek door de gedragswetenschapper dat aan de instemmende verklaring voorafgaat [15] . De gedragswetenschapper als zodanig is geen bestuursorgaan, noch een deelnemer aan de procedure bij de kinderrechter. De wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en gerapporteerd is omlijnd door de normen en gebruiken van de desbetreffende beroepsgroep of tak van wetenschap. In de praktijk gaat het om een dossieronderzoek en een gesprek met de jeugdige. Het dossieronderzoek houdt in dat de gedragswetenschapper op eigen titel en op grond van zijn eigen expertise diverse schriftelijke bronnen ordent en analyseert en op grond daarvan hypothesen en veronderstellingen formuleert die als input dienen voor het gesprek met de jeugdige [16] .
2.8.
Art. 3:2 Awb Pro − het in dit middelonderdeel aangehaalde wetsartikel − schrijft voor dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In aanvulling daarop bepaalt art. 4:8 lid 1 Awb Pro dat het bestuursorgaan, vóórdat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die deze beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, de belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die gegevens niet door de belanghebbende zelf zijn verstrekt. Bij de toepassing van deze bepaling kan de belanghebbende naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren brengen (art. 4:9 Awb Pro). Het bestuursorgaan kan daarvoor een termijn stellen [17] . Daarnaast stelt de Wet op de jeugdzorg specifieke eisen aan een indicatiebesluit [18] . Een indicatiebesluit verschaft een aanspraak op zorg [19] en geldt als een ‘beschikking’ in de zin van art. 1:3 Awb Pro [20] . Op grond van art. 3:1 lid 2 Awb Pro kan de maatstaf van art. 3:2 Awb Pro overeenkomstig worden toegepast op de verklaring die Bureau Jeugdzorg ingevolge art. 29b lid 4 Wjz aflegt.
2.9.
Alvorens een indicatiebesluit te nemen kan een Bureau Jeugdzorg een ontwerp daarvan ter advisering voorleggen aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper (art. 35 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz). Over de interpretatie van test- en onderzoeksgegevens van gedragskundig of psychiatrisch onderzoek kan op verzoek van de jeugdige een
second opinionworden ingewonnen bij een externe deskundige (art. 36 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz). Voor de advisering aan een bestuursorgaan zijn regels gegeven in de art. 3:5 - 3:9 Awb. In art. 3:9 Awb Pro is de plicht van het bestuursorgaan vastgelegd, zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden [21] . De in art. 29b Wjz vereiste instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper is mijns inziens niet aan te merken als een advies aan Bureau Jeugdzorg vóórdat dit een indicatiebesluit neemt. In deze opvatting is er ook geen sprake van een verplichting van Bureau Jeugdzorg om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek door de gedragswetenschapper op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het is veeleer omgekeerd: de gedragswetenschapper toetst de verklaring van Bureau Jeugdzorg [22] .
2.10.
Aan art. 3:2 Awb Pro, of meer in het algemeen aan het zorgvuldigheidsbeginsel, kan de jeugdige daarom niet ontlenen dat de instemmende verklaring door de rechter buiten beschouwing wordt gelaten op de grond dat de gedragswetenschapper de door de advocaat aangeboden stukken niet heeft meegenomen in haar onderzoek. Zo er al sprake is van een verzuim, is er geen reden om dit aan te merken als onherstelbaar. Uiteindelijk is de kinderrechter degene die vaststelt of de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Tegenover de expertise van Bureau Jeugdzorg en de gedragswetenschapper kan door of namens de jeugdige zo nodig contra-expertise worden ingebracht. Op verzoek of ambtshalve kan de kinderrechter zelf een of meer deskundigen benoemen.
2.11.
Art. 12 lid 2 IVRK Pro houdt in dat het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te geven, in de gelegenheid wordt gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft: hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een procesvertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht [23] . Van de procedureregels in het nationale recht is hier art. 29f Wjz van belang, waarin het horen van de jeugdige door de kinderrechter is geregeld. Aan het voorschrift van art. 29f Wjz is voldaan, nu de jeugdige door de rechter is gehoord. Tijdens haar onderzoek heeft de gedragswetenschapper de jeugdige zelf gehoord. De opvatting dat aan deze bepaling ook het recht kan worden ontleend bepaalde stukken in te brengen in de fase die vooraf gaat aan de procedure bij de kinderrechter, vindt in de tekst van art. 12 lid 2 IVRK Pro onvoldoende steun; het middel noemt ook geen specifieke rechtsbronnen waaruit dit zou volgen. De klacht faalt.
2.12.
Het middelonderdeel bevat in de tweede plaats de klacht dat instemmende verklaring niet op een objectief onderzoek berust, omdat de gedragswetenschapper in dienst is van de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam en deswege niet te beschouwen is als onafhankelijk van het Bureau. Het hof heeft hieromtrent geen feiten vastgesteld. Het gestelde dienstverband kan in cassatie ten minste als hypothetische grondslag van het middel dienen. Blijkens het dossier was de gedragswetenschapper verbonden aan het Kennis- en servicecentrum voor diagnostiek, dat aan dit Bureau Jeugdzorg is verbonden.
2.13.
De Wet op de jeugdzorg geeft hieromtrent geen voorschriften. De toenmalige minister voor Jeugd en Gezin zag desgevraagd geen beletsel:
“Het maakt niet uit waar een gedragswetenschapper werkzaam is, zolang de gedragswetenschapper maar behoort tot één van de aangewezen categorieën uit de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg.” [24]
2.14.
Hier dringt zich een vergelijking op met de Wet Bopz, die voorschrijft dat de psychiater die het onderzoek verricht dat ten grondslag ligt aan de geneeskundige verklaring (die bij het verzoek tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden gevoegd), niet bij de behandeling van de desbetreffende patiënt is betrokken. Vorig jaar is aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of het feit dat de verklarende psychiater op dezelfde locatie kantoor houdt als de behandelaar van de patiënt meebrengt dat de verklarende psychiater geacht moet worden, in teamverband, betrokken te zijn of te zijn geweest bij de behandeling van die patiënt. De Hoge Raad overwoog:
“Het vereiste dat de geneeskundige verklaring is gebaseerd op onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, verzet zich niet ertegen dat het onderzoek wordt verricht door een psychiater van de instelling waarin de patiënt reeds verblijft, mits deze psychiater niet bij de behandeling betrokken is of kort tevoren is geweest (…).” [25]
2.15.
In de vakliteratuur is gewezen op het belang, een schijn van belangenverstrengeling te vermijden en geen ruimte te laten voor twijfel aan de onafhankelijkheid van de gedragswetenschapper. Daarbij is in de eerste plaats gedacht aan de onafhankelijkheid ten opzichte van de accommodatie waarin de jeugdige is of zal worden opgenomen. Bruning en Liefaard hebben om die reden gepleit voor het inschakelen van een gedragswetenschapper die niet in dienst is van een instelling voor jeugdzorg [26] . Daarnaast is de vraag aan de orde gesteld of de gedragswetenschapper onafhankelijk moet zijn van het Bureau Jeugdzorg dat het indicatiebesluit opstelt [27] . In de wet (de Wjz) is een regel van die strekking niet opgenomen. In de schaarse rechtspraak specifiek over dit onderwerp [28] is geoordeeld dat het enkele feit dat de gedragswetenschapper in dienst is bij het Bureau Jeugdzorg dat het indicatiebesluit heeft opgesteld niet afdoet aan de aan de verklaring van de gedragswetenschapper toe te kennen objectiviteit. Dit sluit niet uit dat wanneer de betrokkenheid verder gaat dan dit enkele feit, zij in de weg staat aan de objectiviteit van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de instemmende verklaring. Zo zou, bijvoorbeeld, een adviserende rol van de gedragswetenschapper bij de totstandkoming van het indicatiebesluit (art. 35 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz) eraan in de weg kunnen staan dat dezelfde gedragswetenschapper, achteraf, een instemmende verklaring afgeeft als bedoeld in art. 29b Wjz [29] .
2.16.
De rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens over art. 5 EVRM Pro noopt niet tot een andere beslissing. Het EHRM heeft zich in een zaak over verlenging van een t.b.s. uitgelaten over de onafhankelijkheid van gehoorde deskundigen die in dienst waren van de Staat en bovendien waren verbonden aan de kliniek waarin de betrokkene werd verpleegd [30] . Het EHRM overwoog:
“The experts who reported on the applicant’s mental state were in the pay of the State and attached to the institution in which the applicant was being held. It may well be that the applicant percieved them subjectively as instruments of his continued detention. It does not follow, however, that they should be considered ‘opponents’ comparable from the applicant’s perspective to the public prosecutor.
In the proceedings here at issue, these experts were called upon to provide expert information going to the question whether the applicant’s ‘unsoundness of mind’ still justified keeping the applicant deprived of his liberty. The fact that their information was such as to lead the Court of Appeal to answer this question in the affirmative does not, in itself, justify doubts as to their objectivity.
Nor does the fact that the experts were in the pay of the Government, since they themselves could neither initiate nor determine proceedings aimed at keeping the applicant confined. The Court also attaches a certain significance to the fact (…) that a demonstrable lack of integrity on the part of the experts in the performance of their duties makes them liable to disciplinary sanctions.”
2.17.
Mijn slotsom is dat de enkele omstandigheid dat de gedragswetenschapper in dienst is van Jeugdzorg geen afbreuk doet aan de bruikbaarheid van de instemmende verklaring. Bijkomende omstandigheden kunnen tot een ander oordeel leiden, maar dan moeten deze wel worden gesteld. De uitkomst is dat onderdeel 1 faalt.
2.18.
Onderdeel 2is gericht tegen het oordeel (in rov. 11) dat van een onrechtmatige vrijheidsbeneming in de periode tot de beschikking van het hof op 3 juli 2013 geen sprake is geweest. Volgens de klacht geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat in het indicatiebesluit van 21 juni 2013 alle eerder afgegeven indicatiebesluiten vervallen zijn verklaard. Subsidiair is een motiveringsklacht toegevoegd.
2.19.
In het indicatiebesluit van 21 juni 2013 is inderdaad bepaald dat daarmee de voorgaande indicatiebesluiten kwamen te vervallen. Dit besluit trad in werking met de bekendmaking ervan (art. 3:40 Awb Pro). De datum van deze bekendmaking blijkt niet met zekerheid uit de gedingstukken, maar moet ergens tussen 21 juni en de mondelinge behandeling van deze zaak in hoger beroep op 24 juni 2013 worden gesitueerd. Uit niets blijkt dat aan het besluit terugwerkende kracht zou zijn verleend. De omstandigheid dat het vorige indicatiebesluit verviel bij de bekendmaking van het besluit van 21 juni 2013, betekent niet dat de vrijheidsbeneming vanaf dat ogenblik onrechtmatig werd. De vrijheidsbeneming in de periode tussen deze bekendmaking en de uitspraak van het hof op 3 juli 2013 berustte niet op het indicatiebesluit, maar op de rechterlijke machtiging die de rechtbank op 19 maart 2013 had verleend en die van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad was. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Volledigheidshalve teken ik aan dat op grond van art. 29h Wjz de rechterlijke machtiging vervalt indien de aanspraak op jeugdzorg is vervallen op de grond dat de stichting Bureau Jeugdzorg toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid [31] . In de procedure bij het hof is niet gesteld dat dit geval zich voordoet. Onderdeel 2 faalt.
2.20.
Onderdeel 3klaagt dat het hof (in rov. 11) van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn overweging dat een zelfstandig verzoek tot schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan (art. 362 Rv Pro). Volgens het middelonderdeel maakt art. 5 lid 5 EVRM Pro in ieder stadium van het geding een verzoek tot schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming mogelijk.
2.21.
De jeugdige mist belang bij deze klacht, omdat zij is gericht tegen een overweging ten overvloede die de beslissing niet draagt. Het verzoek tot schadevergoeding is immers afgewezen op de grond dat van onrechtmatige vrijheidsbeneming geen sprake is geweest. Indien de Hoge Raad (een van) de vorige middelonderdelen gegrond zou bevinden, zou alsnog de vraag relevant kunnen worden of deze overweging de afwijzing van de schadeclaim kan dragen. Art. 5 lid 5 EVRM Pro bepaalt dat het slachtoffer van een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel recht heeft op schadeloosstelling. Hieruit volgt in beginsel een aanspraak op schadevergoeding na onrechtmatige vrijheidsbeneming, maar niet dat dit recht moet kunnen worden uitgeoefend in dezelfde procedure waarin over het (wel of niet) voortduren van de vrijheidsbeneming wordt beslist [32] . Onderdeel 3 leidt daarom niet tot cassatie.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a - g

Voetnoten

1.Zie blz. 2 van de beschikking van het hof, in verbinding met de beschikking van de rechtbank (kinderrechter) van 19 maart 2013.
2.Hieraan vooraf ging een indicatiebesluit d.d. 23 juli 2012 met een instemmende verklaring van een gedragswetenschapper d.d. 11 augustus 2012.
3.Op blz. 4 van haar rapportage vermeldt de gedragswetenschapper dat zij aan de jeugdige heeft uitgelegd, zijn advocaat eerst te zullen bellen nadat zij zich een mening heeft gevormd over de instemming.
4.De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard; zie ook art. 29h lid 1 Wjz.
5.Op grond van art. 29a lid 2 Wjz gold de jeugdige voor deze zaak als zelfstandig procesbekwaam.
6.Het aanvullend cassatierekest heb ik meegenomen in de bespreking van onderdeel 1.
7.Appelschrift onder 12.
8.In de toelichting op de derde grief was dit slechts gepresenteerd als een stelling van bijkomstige aard (appelschrift onder 9).
9.Dit is een vrijheidsbeneming in de zin van art. 5, lid 1 onder d, EVRM: MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 644, nr. 3, blz. 6.
10.Zie over het indicatiebesluit: art. 5 en Pro 6 Wjz, resp. art. 15 e.v. Het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (KB van 16 december 2004, Stb. 703, nadien gewijzigd). Hoofdstuk 9 van dit besluit (Kwaliteit en werkwijze bureaus jeugdzorg) geeft nadere regels. Zie ook: B.M. Vroom-Cramer, Het belang van het indicatiebesluit bij de uithuisplaatsing van minderjarigen, FJR 2014/6.
11.Zie de Regeling aanwijzing gedragswetenschappers gesloten jeugdzorg, Stcrt. 2007/248.
12.Zie nader hierover: Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen via www.rechtspraak.nl/landelijke regelingen). Bij een door de rechter bevolen voorlopig bericht van deskundigen zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing: art. 205 Rv Pro.
13.Een vergelijkbare regel voor het onderzoek door deskundigen die door de bestuursrechter zijn benoemd, geeft art. 8:47 Awb Pro.
14.Bij AMvB
15.Ook de Hoge Raad sprak in HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1245, van een “voldoende objectief onderzoek”.
16.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Wissink voor HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013, BZ5422, NJ 2013/412 m.nt. S.F.M. Wortmann, alinea 3.2.
17.T&C Awb, 2011, aant. 4 op art. 4:9 (Van Buuren en De Poorter).
18.Vgl. art. 5 lid 4 Wjz Pro (doel van de zorg) en art. 15 - 22 van het Uitvoeringsbesluit Wjz (ter uitvoering van art. 6 lid 5 Wjz Pro).
19.MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 644, nr. 3, blz. 12.
20.Met dien verstande dat art. 5 lid 5 Wjz Pro een andere rechter dan de bestuursrechter aanwijst en dat voor opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg een machtiging van de kinderrechter nodig is.
21.Zie over deze ‘vergewisplicht’ onder meer: J.C.A. de Poorter en Y.M. van Soest-Ahlers, Advisering in het bestuursrecht. Over advisering aan bestuursorganen in het kader van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, 2008; Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, 2011, blz. 285 - 286.
22.Zie voor dit laatste: MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 644, nr. 3, blz. 20 - 21.
23.Zie ook: HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1084, NJ 2014/24 m.nt. S.F.M. Wortmann.
24.Kamerstukken II 2007-2008, 30 644, nr. 27, blz. 2.
25.HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1138 (rov. 3.4.4), JVggz 2014/4 m.nt. F.L.G. Geizel.
26.M.R. Bruning en T. Liefaard, ‘Ontwikkelingen en knelpunten in de gesloten jeugdzorg’, FJR 2009/42, met reactie van J.I.M. Kuis en I.E. Troost in FJR 2009/109.
27.B.J. de Groot, Overeenstemming over de instemming. De rol van de onafhankelijke gedragswetenschapper in het civiele jeugdrecht, FJR 2013/27; R. Bakker en B. Bentem, Het indicatiebesluit: waarborg of formaliteit? in: C. Forder, W. Duijst en A. Wolthuis (red.), Kindvriendelijke opsluiting, Gesloten plaatsing van jeugdigen in het licht van mensenrechten, 2012, i.h.b. blz. 111; C. Forder en F. Olujić, Gesloten jeugdzorg in het licht van de mensenrechten en de rechten van het kind, in diezelfde bundel, i.h.b. blz. 18 - 19; zie ook G. Cardol en A. van Rheenen, De instemmingsverklaring: waarborg of formaliteit, in diezelfde bundel, blz. 121 e.v.
28.Hof ’s-Gravenhage 6 augustus 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BE9979, FJR 2008, 116 m.nt. I.J. Pieters.
29.Rb. Zwolle 8 december 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BR8871; Rb. Amsterdam 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BU7746. Daarnaast valt te denken aan overeenkomstige toepassing van de maatstaf van art. 2:4 Awb Pro: “1. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid. 2. Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.”
30.EHRM 6 januari 2005 (Nakach/Nederland, appl.no. 5379/02), NJ 2010/322 m.nt. E.A. Alkema.
31.In art. 6 lid 4 Wjz Pro is bepaald dat de aanspraak op jeugdzorg vervalt indien de stichting een besluit neemt waarin wordt vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in art. 5 lid 2 Wjz Pro.
32.M.i. volgt dit evenmin uit art. 13 EVRM Pro, dat voorschrijft dat een ieder wiens in dit verdrag vermelde rechten en vrijheden zijn geschonden recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie.