Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
equality of arms(cassatierekest onder 19). De vraag of het onderzoek ook aan objectiviteit heeft ingeboet door het feit dat de gedragswetenschapper in dienst is van de stichting Bureau Jeugdzorg [8] , zal hierna afzonderlijk aan de orde komen.
naar het oordeel van de kinderrechterde jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. De kinderrechter, niet Bureau Jeugdzorg, is dus de beslissende autoriteit. Het vierde lid stelt de eis dat Bureau Jeugdzorg een indicatiebesluit heeft genomen dat strekt tot verblijf (niet zijnde verblijf bij een pleegouder) [10] en een verklaring heeft afgegeven dat zich hier een geval voordoet als bedoeld in het derde lid. Deze verklaring behoeft ingevolge het vijfde lid de instemming van een gedragswetenschapper, behorend tot een door de minister aangewezen categorie [11] , die met het oog daarop de jeugdige kort tevoren heeft onderzocht.
equality of arms) [13] .
equality of armszijn in de fase die aan de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper vooraf gaat nog niet aan de orde. In het middel wordt niet geklaagd dat de jeugdige of zijn advocaat in de procedure op tegenspraak bij de kinderrechter onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om de door hem van belang geachte informatie in het geding te brengen.
second opinionworden ingewonnen bij een externe deskundige (art. 36 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz). Voor de advisering aan een bestuursorgaan zijn regels gegeven in de art. 3:5 - 3:9 Awb. In art. 3:9 Awb Pro is de plicht van het bestuursorgaan vastgelegd, zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden [21] . De in art. 29b Wjz vereiste instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper is mijns inziens niet aan te merken als een advies aan Bureau Jeugdzorg vóórdat dit een indicatiebesluit neemt. In deze opvatting is er ook geen sprake van een verplichting van Bureau Jeugdzorg om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek door de gedragswetenschapper op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het is veeleer omgekeerd: de gedragswetenschapper toetst de verklaring van Bureau Jeugdzorg [22] .