Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [2] )In dat onderdeel wordt nl. vanuit verschillende invalshoeken de toerekening door het hof van de kennis bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van de tekortkoming aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerder 2] aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. bestreden. Dat geschiedt, naar het voorkomt, tevergeefs.
daadwerkelijkekennis van die wijzigingen hebben gehad. Dat valt af te leiden uit de omstandigheden waarop het hof de vaststelling baseert, zeker wanneer men die omstandigheden mede beziet in het licht van wat de kantonrechter in rov. 9 van zijn eindvonnis in verband met die omstandigheden overweegt in het kader van de vraag of in de negentiger jaren [betrokkene 4]. en [betrokkene 1] of jr. met de feitelijke toestand in de gehuurde verdiepingen bekend zijn geraakt. Het hof is, anders gezegd, niet uitgegaan van een ‘geobjectiveerde’ kennis bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van de tekortkoming van [verweerster 1] en [verweerder 2]. Voor zover in de subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.5 wordt uitgegaan van ‘geobjectiveerde’ kennis, missen die subonderdelen dan ook feitelijke grondslag.
geheelaan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over
( [3] ). Dat bracht mee dat laatstgenoemden voor [verweerster 1] en [verweerder 2] het aanspreekpunt ter zake van het gehuurde waren en dat [verweerster 1] en [verweerder 2] zich derhalve ook op hen konden verlaten in verband met dat wat zij van de verhuurder wel of niet mochten verwachten. Naar de maatschappelijke opvattingen strookt het met
dieverhouding tussen enerzijds [betrokkene 3]/[betrokkene 4]. en [betrokkene 1]/[betrokkene 2] en anderzijds [betrokkene 1]/[betrokkene 2] en [verweerster 1]/[verweerder 2] om de wetenschap van [betrokkene 1]/[betrokkene 2] omtrent het doen en laten van [verweerster 1] en [verweerder 2] als huurders tegenover laatstgenoemden te doen gelden als wetenschap van [betrokkene 3] en [betrokkene 4].
“Nu de kennis van de beheerders aan vader en zoon [betrokkene 3+4] kan worden toegerekend en [eiseres] hen als verhuurder is opgevolgd, is de tweede grief tevergeefs opgeworpen.”Anders dan in subonderdeel 1.4 wordt verondersteld, is die slotzin niet in die zin te verstaan dat het hof de kennis omtrent de tekortkoming van [verweerster 1] en [verweerder 2] bij de beheerders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de voet van artikel 7:226 BW Pro ook toerekent aan [eiseres] in die zin dat bedoelde kennis moet worden opgevat mede als kennis van [eiseres]. Het hof spreekt immers alleen van het toerekenen van de kennis van de beheerders aan vader en zoon [betrokkene 3+4]. Naar het voorkomt, is de gedachte achter de slotzin deze dat, voor zover de aan [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. toe te rekenen kennis van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor eerstgenoemden (mede) leidt tot een beperking in de uitoefening van zekere rechten jegens [verweerster 1] en [verweerder 2] uit of in verband met de huurovereenkomsten, [eiseres] als opvolgend verhuurder die beperking ook heeft te aanvaarden, wanneer zij die rechten alsnog wil uitoefenen. De rechten zijn immers met die beperkingen op haar overgegaan. Subonderdeel 4.1 mist derhalve feitelijke grondslag.
( [4] )Ook bij toepassing door de rechter van artikel 6:248 lid 2 BW Pro is er sprake van dat de rechter constateert welke gevolgen het recht aan zekere feiten en omstandigheden verbindt.
( [5] )Verder heeft het hof van het toepassing geven aan artikel 25 Rv Pro niet hoeven af te zien vanwege de proceshouding van [verweerster 1] en [verweerder 2]. Uit die proceshouding en in het bijzonder uit de door hen in het kader van hun verweer tegen de primaire vordering van [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden heeft het hof immers niet hoeven af te leiden dat [verweerster 1] en [verweerder 2] aanvaardden of enig belang erbij hadden dat de huurovereenkomsten zouden worden ontbonden en de ontruiming zou worden bevolen, indien hun tekortschieten niet als van geringe betekenis zou worden aangemerkt.
alledoor hen uitgebrachte wijzigingen eenvoudig te herstellen zijn. De op deze veronderstellingen rustende klachten falen dan ook wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.