ECLI:NL:PHR:2014:2017

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 augustus 2014
Publicatiedatum
13 november 2014
Zaaknummer
12/05339
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 358 SvArt. 348 SvArt. 350 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en verwerping cassatie

Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde op 29 oktober 2012 het vonnis van de politierechter Haarlem van 7 september 2010, met uitzondering van de strafoplegging die het hof wijzigde. Verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 60 uur wegens opzettelijke mishandeling waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep, namelijk een dubbelzijdige kaakbreuk.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof met vijf middelen. De Hoge Raad verwierp alle middelen inhoudelijk, behalve dat de redelijke termijn in cassatie werd overschreden. Dit leidde echter niet tot vernietiging van het arrest of andere rechtsgevolgen.

De Hoge Raad oordeelde onder meer dat het hof terecht het vonnis van de politierechter deels bevestigde en de strafoplegging wijzigde binnen de wettelijke bevoegdheid. Ook werd geoordeeld dat het bewijs voor zwaar lichamelijk letsel toereikend was, mede gelet op de medische ingrepen en langdurige herstelperiode van het slachtoffer.

Het beroep op noodweer en noodweerexces werd door het hof gemotiveerd verworpen en deze motivering werd door de Hoge Raad bevestigd. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens zware mishandeling.

Conclusie

Nr. 12/05339
Mr. Machielse
Zitting 26 augustus 2014
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 29 oktober 2012 een vonnis van de Politierechter in Haarlem van 7 september 2010 bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan, met terzijdestelling van bewijsmiddel IV en met aanvulling van de bewijsoverweging in de beslissing van de politierechter. Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en tot een taakstraf van 60 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof niet had mogen komen tot een gedeeltelijke bevestiging van het bestreden vonnis. Het hof heeft immers geoordeeld dat de door de politierechter opgebouwde bewijsconstructie ondeugdelijk is en heeft een eigen bewijsmiddel toegevoegd. Daarom kan niet worden gesproken van een partiële bevestiging van het vonnis. Het arrest van het hof houdt in dat het door de politierechter gewezen vonnis niet juist is en zo een onjuist vonnis kan in hoger beroep niet worden bevestigd.
3.2. In de toelichting op de schriftuur verwijst de steller van het middel naar "HR 1994, NL 1995, 80" waaraan steun zou zijn te ontlenen voor de stelling dat de partiële bevestiging in hoger beroep bij uitstek is bedoeld voor het geval van een in hoger beroep afwijkende strafmaat. Ik heb het vermoeden dat de verwijzing naar "HR 1994, NL 1995, 80" moet worden gelezen als een verwijzing naar "HR 18 oktober 1994, NJ 1995, 80 m.nt. Schalken". Als dit vermoeden juist is, is de verwijzing naar dit arrest in het kader van de onderhavige zaak hier irrelevant. In dat arrest van de Hoge Raad ging het erom dat het hof een vonnis van de politierechter had bevestigd die een verzoek van de verdediging om getuigen op te roepen had afgewezen omdat "de feiten vaststaan". Dat een partiële bevestiging van een vonnis in eerste aanleg in hoger beroep bij uitstek bedoeld zal zijn voor het geval de appelrechter tot een andere strafoplegging komt dan de rechter in eerste aanleg, vindt in dat arrest geen enkele steun.
Mij lijkt een verwijzing naar HR 13 juli 2010, NJ 2011, 294 m.nt. Mevis eerder op haar plaats. In dat arrest heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de betekenis van de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 437 (Wet stroomlijnen hoger beroep). De Hoge Raad overwoog het volgende:
“2.8.2. Een vonnis dient te worden vernietigd indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in Pro verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv genomen beslissingen. Dat zijn de beslissingen inzake de geldigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de eerste rechter tot kennisneming van de zaak, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel de aanwezigheid van redenen voor schorsing van de vervolging, en voorts de beslissingen over de vraag of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte alsmede de oplegging van straf en/of maatregel.
Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden. Daarmee wordt gedoeld op de motivering van de beslissingen, zoals nader geregeld in art. 359, art. 359a, derde lid, en art. 360 Sv Pro.”
3.3. Het hof heeft in de onderhavige zaak de beslissingen van de politierechter intact gelaten, behoudens de strafoplegging. De strafoplegging heeft het hof vernietigd en zijn eigen beslissing daarvoor in de plaats gesteld, met bijbehorende motivering. Voorts heeft het hof de motivering van de bewijsbeslissing aangevuld.
Dit alles is geschied in overeenstemming met de ruimte die artikel 423 lid 1 Sv Pro het hof bood. [1]
Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat een uitgewerkt vonnis van eerste aanleg ontbreekt. Bij de stukken in het cassatiedossier bevindt zich slechts een aantekening mondeling vonnis. Bemoeienis van de rolraadsheer heeft niet geleid tot het beschikbaar komen van een uitgewerkt vonnis. Evenmin bevat het aan de Hoge Raad toegezonden dossier de ter terechtzitting van 21 maart 2011 aan het hof overgelegde pleitnotities.
4.2. Het dossier bevat een op 10 oktober 2013 gedagtekende brief afkomstig van een medewerker van de griffie van de Hoge Raad als reactie op een verzoek van 9 oktober 2013 van de kant van de steller van de schriftuur om hem het uitgewerkte schriftelijke vonnis van eerste aanleg te doen toekomen. De medewerker vermeldt in de brief dat een afschrift van het proces-verbaal van 7 september 2010 van de Rechtbank Haarlem op 6 augustus 2013 is verstuurd en dat aan dit proces-verbaal de aantekening mondeling vonnis is gehecht conform de wettelijke regeling van artikel 378 Sv Pro. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich inderdaad een proces-verbaal van de politierechter te Haarlem van het onderzoek ter terechtzitting van 7 september 2010, waarin het mondeling vonnis is aangetekend op de wijze als voorgeschreven in het tweede lid van artikel 378 Sv Pro. Tevens bevindt zich in dat dossier de pleitnota van hoger beroep. Uit de stukken blijkt voorts niet dat op 21 maart 2011 een onderzoek in hoger beroep heeft plaatsgevonden in de onderhavige zaak waarin aan het hof pleitnotities zijn overgelegd.
Het middel mist dus op alle onderdelen feitelijke grondslag en faalt deswege.
5.1. Het derde middel verwijt aan het hof dat het artikel 359, tweede lid, Sv heeft geschonden omdat het hof niet heeft gereageerd op een subsidiair beroep op noodweer en noodweerexces.
5.2. Het middel miskent al dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge artikel 358, derde lid, Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling. [2] Voorts ziet de steller van het middel eraan voorbij dat het hof het vonnis van de politierechter heeft bevestigd en aangevuld. In een bewijsoverweging heeft de politierechter het beroep op noodweer gemotiveerd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van het slachtoffer. Die motivering draagt de verwerping van zowel het beroep op noodweer als het beroep op noodweerexces. Het hof heeft deze beslissing en de deze beslissing dragende motivering bevestigd. Het middel mist dus reeds feitelijke grondslag.
6.1. Het vierde middel komt op tegen de beslissing van het hof dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof heeft zich niet over uitgelaten over de vraag of zicht is op volledig herstel en heeft slechts gereleveerd dat de kaak zes weken gefixeerd is geweest en dat er thans nog een metalen plaatje in de kaak aanwezig is.
6.2. De politierechter heeft in het deels bevestigde vonnis bewezenverklaard dat verdachte
"op 4 december 2009 te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], met kracht met de tot een vuist gebalde hand tegen het gezicht heeft gestompt, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een dubbelzijdige kaakbreuk) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."
6.3. De beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel dient te worden aangemerkt, is in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie zal dat oordeel slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst. De cassatierechter zal kunnen ingrijpen als uit de bestreden beslissing niets blijkt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Maar ook de algemene ervaring over de gevolgen van bepaald lichamelijk letsel kan daarbij een rol spelen. [3]
6.4. Het arrest van het hof houdt over het zwaar lichamelijk letsel het volgende in:
“De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek Pro van Strafrecht, omdat de kaken van de aangever volgens de letselverklaring maar zes weken waren gefixeerd en het letsel niet heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid. Het hof verwerpt dit verweer.
Lichamelijk letsel is als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid (HR 13 maart 2001, NJ 2001, 329). Uit de gebezigde
bewijsmiddelen en de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] ter terechtzitting op 15 oktober 2012 blijkt dat de verdachte met zijn vuistslag een dubbelzijdige kaakbreuk bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] meerdere malen een operatie diende te ondergaan, zijn kaken gedurende zes weken gefixeerd zijn geweest en hij heden nog een metalen plaat in zijn kaak heeft zitten. Gezien de ernst van het letsel, de intensiteit van het herstelproces en de langdurigheid die het herstel in beslag neemt kan het door de verdachte veroorzaakte letsel - gelet op de door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf- naar het oordeel van het hof als zwaar worden gekwalificeerd.”
6.5. Voorts heeft het hof de bewijsconstructie van het vonnis van de politierechter nog aldus aangevuld:
“Een geschrift, zijnde de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer], opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1], rapporteur Slachtofferhulp Nederland. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Met spoed ben ik dezelfde dag nog geopereerd want mijn kaak bleek op twee plekken te zijn gebroken. Een plaatje is gaan irriteren en ontsteken. Die is er tijdens een tweede operatie weer uitgehaald. Ik kreeg een ontsteking en bij een derde operatie hebben ze een buisje aan de buitenkant van mijn wang geplaatst om het pus eruit te kunnen laten lopen. Na vier maanden is de fixatie van mijn kaken operatief verwijderd.
Nadere bewijsoverweging
Het hiervoor vermelde bewijsmiddel is - ook in zijn onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit, waarop hij blijkens zijn inhoud betrekking heeft en telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.”
6.6. Zo een schriftelijke slachtofferverklaring kan bruikbaar zijn voor het bewijs. [4] Het bewijs dat er sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel is naar mijn mening toereikend. Het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, een dubbele kaakbreuk, heeft tot drie operaties geleid en tot een fixatie van de kaken gedurende vier maanden.
Het middel faalt.
7.1. Het vijfde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 12 november 2012 is cassatieberoep ingesteld en het dossier is eerst op 18 juli 2013 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen.
7.2. Inderdaad is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn in deze zaak met zes dagen overschreden. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
8. Alle middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen, behoudens het laatste middel met betrekking tot hetwelk de Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Zie Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, zevende druk, p. 800 e.v.
2.HR 27 september 2011, NJ 2011, 518 m.nt. Reijntjes.
3.HR 14 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8055.
4.HR 11 oktober 2011, NJ 2011, 558 m.nt. Reijntjes.