Conclusie
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring, althans de kwalificatiebeslissing, van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde medeplegen van opzetheling van een tweetal scooters, nu volgens de steller van het middel blijkens de bewijsconstructie [medeverdachte] de medepleger is, zulks ten onrechte nu deze [medeverdachte] deze scooters zelf door enig misdrijf – diefstal – heeft verkregen zodat daardoor ten aanzien van hem een veroordeling wegens opzetheling in de weg staat en hij derhalve niet als medepleger in de zaak van verzoeker kan worden aangemerkt.
voorbereidingshandelingendie de verdachte in de periode waarin de genoemde scooters werden gestolen tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] pleegde en het Hof – anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen –
daarmeeniet zegt dat [medeverdachte] medepleger van de bedoelde opzetheling was, geven de desbetreffende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inderdaad voeding aan de stelling dat het Hof daarbij het oog heeft op [medeverdachte] als medepleger.
tweede middelbehelst ten aanzien van het in zaak C bewezenverklaarde de klacht dat uit de daartoe gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het feit te Amsterdam is gepleegd en evenmin dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met een wettelijk voorschrift, te weten art. 9.2. van de Wet studiefinanciering 2000, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
derde middelklaagt dat het Hof het verkort arrest niet tijdig met de bewijsmiddelen heeft aangevuld en dat daardoor de inzendtermijn in cassatie is overschreden.