ECLI:NL:PHR:2014:209

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
25 maart 2014
Zaaknummer
13/02693
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
  • Aben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafbaarheid poging tot doodslag ondanks diabetesverweer

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op zijn zwager. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de verdachte, getuigenverklaringen, politieverslagen en camerabeelden die het geweld op 24 april 2012 te Utrecht bevestigden.

De verdediging stelde in cassatie dat de verdachte ten tijde van het delict leed aan een verstoring van zijn agressiehuishouding door diabetes, waardoor hij niet strafbaar zou zijn. Dit verweer werd verworpen omdat het hof aannemelijk achtte dat de bloedsuikerspiegel van de verdachte niet zodanig verstoord was dat hij niet in vrijheid zijn wil kon bepalen. Het hof wees op het ontbreken van een directe bloedsuikermeting na het delict, maar achtte de overige omstandigheden en het deskundigenrapport overtuigend.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht alle omstandigheden van het geval heeft meegewogen, waaronder het feit dat verdachte en zijn zus slechts meldden dat hij suikerziekte had zonder aanwijzingen van een ernstige verstoring. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel. Het beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafrechtelijke veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag.

Conclusie

Nr. 13/02693
Zitting: 28 januari 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 8 mei 2013 de verdachte ter zake van
“poging tot doodslag”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander op de wijze vermeld in het arrest.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte strafbaar is en tegen de verwerping door het hof van een in dit kader gevoerd verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 april 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet
- die op een scooter zittende [slachtoffer] heeft geslagen tegen het hoofd en
- aldus ten val heeft gebracht tegen een harde ondergrond en
- vervolgens die roerloos op de grond liggende [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd getrapt en
- vervolgens op het hoofd van [slachtoffer] heeft gestampt en
- vervolgens zijn rechtervoet op het lichaam van [slachtoffer] heeft geplaatst en daarbij zijn lichaamsgewicht op [slachtoffer] heeft laten rusten en aldus (met kracht) op het lichaam van [slachtoffer] heeft gedrukt,
zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 24 april 2012 hoorde ik dat mijn zus aan de telefoon was. Ik hoorde dat zij hysterisch te keer ging. Ik vroeg aan mijn moeder wat er aan de hand was. Ik hoorde dat het slecht ging met mijn zus en haar kinderen. Mijn zus was bang dat mijn zwager haar en de kinderen iets aan zou doen. Zij en de kinderen werden door hem bedreigd. Ik wilde naar de woning om mijn zus te beschermen. Zij wonen in de flat tegenover ons. Ik heb mijn jack en schoenen aangetrokken en ik ben naar de flat van mijn zus gelopen. Toen ik de flat van mijn zus naderde zag ik dat mijn zwager zijn woning had verlaten. Ik zag dat hij op zijn scooter zat. Hij reed op mij af en stopte voor mij. Hij keek mij aan en die blik van hem zal ik nooit vergeten. Hij keek naar mij met een blik van "ik doe wat ik wil." Toen verloor ik de controle over mijzelf. Ik ben enorm tekeer gegaan. Ik heb hem geslagen en getrapt. Ik heb bij de politie verklaard dat ik op zijn hoofd ben gaan staan.
2. Een proces-verbaal van bevindingen, blz. 29 t/m 31, van het proces-verbaal met nr. PL091A 2012092270 onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], althans één hunner:
Op 24 april 2012, omstreeks 18.30 uur, kregen wij het verzoek te gaan naar de [a-straat], ter hoogte van perceelsnummer 517, te Utrecht. Omstreeks 18.40 uur waren wij ter plaatse op de [a-straat] te Utrecht. Wij zagen rechts op het talud een jongen zitten.
Wij zagen links tegen de gevel van een pand een man liggen. Wij zagen dat er veel bloed op de grond lag. Wij zagen naast de man een bromfiets op de grond liggen. Wij zagen dat de man met zijn benen in de richting van de prins Clausbrug lag en met zijn hoofd tegen het pand aan lag. Wij zagen dat het gezicht van de man onder het bloed zat. Wij zagen en hoorden dat de man bij kennis was. Wij hoorden dat de man slecht tot niet aanspreekbaar was. Wij hoorden dat de man niet reageerde op ons aanspreken.
Ik, verbalisant [verbalisant 2], ben naar de jongen die op het talud zat gelopen. Ik zag dat de schoenen van de jongen onder het bloed zaten. Ik hoorde dat de jongen zei: "Ik heb hem de tering in geslagen." Ik heb de jongen gevraagd of hij zich kon identificeren. Ik hoorde dat de jongen zei dat hij niets bij zich had.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben naar verbalisant [verbalisant 2] gelopen. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zagen dat bij de jongen op het talud een meisje stond. Wij hoorden van het meisje dat zij het zusje was van de jongen op het talud. Wij hoorden van het meisje dat de jongen [verdachte] zou heten. Wij hoorden van het meisje dat [verdachte] suikerpatiënt zou zijn. Op 24 april 2012, te 19.15 uur, hebben wij de jongen op het talud aangehouden ter zake van zware mishandeling dan wel poging tot doodslag. De zus van verdachte heeft ons het paspoort en de medicijnen van de verdachte gebracht. Wij zagen dat de verdachte was genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats].
3. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, blz. 144 t/m 151, van het proces-verbaal met nr. PL091A 2012092270 onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
Er speelt al jaren iets tussen mijn zus en haar man. Toen bleek dat hij (het hof leest hier: de man van mijn zus) bedreigingen aan het adres van mijn zus en aan de kinderen had geuit. Niemand was thuis van de jongens, behalve ik. Ik besloot naar haar toe te gaan om te voorkomen dat er iets geks zou gebeuren. Toen ik vlak voor hun flat stond kwam hij naar buiten. Hij kwam op mij af op zijn scooter in mijn richting en stopte vlak voor mijn neus. We keken elkaar aan. Ik voelde dat ik hem op zijn hoofd raakte. Ik zal hem ook wel met mijn voet geraakt hebben.
(blz.151)
We stonden tegenover elkaar. Volgens mij gaf ik hem een hoek of een rechterstoot. Zijn scooter viel op de grond. Hij viel op de grond. Ik liep om de scooter heen en trapte hem hard op zijn hoofd. Daarna volgens mij nog een keer. En vooral de laatste keer was walgelijk. Ik voelde iets breken.
Na die eerste klap viel hij naast zijn scooter op de grond. Hij was niet gelijk bewusteloos, maar wel gedesoriënteerd. Ik zag zijn hoofd nog bewegen. Toen heb ik hem tegen zijn hoofd getrapt. Hard, echt heel hard. Dat deed ik nog een keer. Ik trapte hem nog een keer tegen zijn hoofd. Die laatste keer was het niet een normale trap maar meer een stamp. Ik stampte met min voet tegen zijn hoofd en ik kreeg daarbij het gevoel dat er iets brak in zijn schedel. Walgelijk was het. Vooral de laatste trap. Mijn voet kwam tegen zijn schedel aan en toen ging ik door zijn schedel heen. Een akelig gevoel alsof ik iets brak. Ik stapte op zijn hoofd en ik voelde iets kraken. De frustratie van 8 jaar kwam eruit.
Na die laatste stamp bewoog hij nog een beetje met zijn hoofd. Ik hoorde dat hij een geluid maakte, maar heel zacht. Ik gaf hem een tik met mijn been op zijn schouders en ik zag toen allemaal bloed om zijn hoofd. Ik trok mij terug na het zien van dat bloed.
4. Een proces-verbaal van verhoor van bevindingen, blz. 78 t/m 84, van het proces-verbaal met nr. PL091A 2012092270 onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:
Op 26 april 2012, heb ik, verbalisant [verbalisant 3], een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Op 25 april 2012 ontving ik van een medewerker van de woningbouwvereniging Portaal te Utrecht camerabeelden van een camera welke was bevestigd aan de gevel van een appartementencomplex aan de [a-straat] te Utrecht. Deze camera filmde de zware mishandeling gepleegd op 24 april 2012 aan de [a-straat] te Utrecht. De tijd op de betreffende camerabeelden loopt één uur achter op de werkelijke tijd. Hieronder benoem ik de tijden welke worden getoond op de camerabeelden.
Op de camerabeelden zag ik het volgende:
17:30:54 Er loopt een manspersoon, nader te noemen verdachte, over de [a-straat] in de richting van Papendorp. Rechts van hem is de Prins Clausbrug, links van hem zijn appartementencomplexen.
17:31:02 Er rijdt een man, nader te noemen het slachtoffer, op een scooter vanaf de Amerikalaan richting [a-straat]. Het slachtoffer rijdt op een rode scooter.
17:31:04 Het slachtoffer rijdt in de richting van de verdachte en verdachte loopt met versnelde pas naar het slachtoffer toe. Het slachtoffer stopt met zijn scooter op de hoek bij de appartementencomplexen.
17:31:06 De verdachte gaat links naast het slachtoffer staan en haalt zijn rechterarm naar achteren, waarna hij met zijn rechterhand een slag in het gezicht van het slachtoffer geeft. Direct na de slag valt het slachtoffer met zijn scooter om. Het slachtoffer valt naar rechts en blijft op de grond liggen.
17:31:08 De verdachte loopt achter de scooter van het slachtoffer langs naar het lichaam van het slachtoffer.
17:31:09 De verdachte haalt zijn rechterbeen naar achteren en schopt tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer. Kennelijk gebeurt dit met kracht omdat de verdachte tijdens het geven van de schop met zijn armen zwaait om de schop kracht bij te zetten. Het slachtoffer ligt nog steeds stil op de grond.
17:31:11 Direct haalt de verdachte wederom zijn rechterbeen naar achteren en schopt nogmaals tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer. Kennelijk gebeurt dit ook met veel kracht omdat de verdachte hierna voorover valt en over het slachtoffer heen moet stappen om niet te vallen. Het slachtoffer ligt nog steeds stil op de grond.
17:31:15 De verdachte staat nu aan de voorzijde van de scooter en haalt wederom zijn rechterbeen naar achter, waarna hij met kracht tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer schopt.
17:31:17 De verdachte haalt zin rechterknie omhoog en stampt met kracht op het lichaam of hoofd van het slachtoffer.
17:32:19 De verdachte tilt zijn rechterknie omhoog en zet zijn rechtervoet, kennelijk zonder kracht, op het slachtoffer neer. Dit doet verdachte hierna nogmaals, kennelijk met meer kracht. Hierna loopt de verdachte weg bij het slachtoffer.”
6. Voorts heeft het hof in het arrest het volgende overwogen:
“Strafbaarheid van de verdachte
De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van het tenslastegelegde , ten gevolge van zijn diabetes leed aan een verstoring van zijn agressie-huishouding. Die omstandigheid kan echter niet meer worden vastgesteld omdat de verbalisanten - ondanks dat zij wisten dat verdachte een diabetespatiënt was - nagelaten hebben de bloedsuikerspiegel van verdachte direct na afloop van het delict te meten (onherstelbaar vormverzuim). Nu niet meer concreet vast kan worden gesteld wat de situatie precies is geweest, terwijl er wel aanwijzingen waren dat verdachte last had van zijn bloedsuikerspiegel, stelt de raadsman zich - in navolging van een arrest van het hof te Leeuwaarden van 11 december 2009, LJN BL6016 - op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt vast, mede gelet op de inhoud van het deskundigenbericht van de internist-endocrinologist H.W. de Valk van 7 januari 2013, dat uit het dossier niet blijkt dat de bloedsuikerwaarde van verdachte vlak voor of na het incident in ernstige mate was verlaagd. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat de invloed van een verlaagde bloedsuikerspiegel zodanig was dat verdachte daardoor niet in staat was in vrijheid zijn wil te bepalen. Veeleer is uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof aannemelijk geworden dat situationele omstandigheden de boosheid op zijn zwager en het verlies van zelfbeheersing hebben veroorzaakt.
Voorst acht het hof evenmin aannemelijk geworden dat de politie op basis van de omstandigheden bij het aantreffen van verdachte in de buurt van de plaats van het delict en later op het politiebureau had moeten weten dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bij verdachte sprake was van zodanige verstoring van de bloedsuikerspiegel, dat een meting daarvan van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek naar de verdachte van het geweld tegen het slachtoffer. De enkele mededeling van verdachte (en later van de zus van verdachte) dat hij suikerziekte heeft is daartoe onvoldoende.
Gelet op het vorenstaande acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte ten gevolge van zijn diabetes leed aan een dusdanige verstoring van zijn agressiehuishouding dat het feit hem niet kan worden toegerekend.
Het hof heeft gelet voorts nog gelet op het pro justitia rapport van A.P. van der Burg, GZ-psycholoog, van 18 juli 2012, waarin wordt geconcludeerd dat het tenlastegelegde, indien bewezen, verdachte volledig kan worden toegerekend.
Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte strafbaar aangezien er ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
7. Naar ’s hofs oordeel is dus niet gebleken dat de bloedsuikerwaarde van de verdachte vlak voor of na het incident in ernstige mate was verlaagd. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat het hof niet tot dat oordeel kon komen, omdat is verzuimd de bloedsuikerspiegel van de verdachte te meten. Bij gebreke van een bloedsuikermeting had het hof uit moeten gaan van de gestelde verstoring van verdachtes agressie-huishouding, zo begrijp ik het middel.
8. Dat lijkt mij nogal kort door de bocht. Het stond het hof vrij om acht te slaan op alle omstandigheden van het geval, zoals het feit dat de verdachte (en later zijn zus) na het incident enkel hebben gemeld dat hij leed aan suikerziekte en dus niet dat hij op dat moment last zou hebben van een (ernstige) verstoring van zijn bloedsuikerspiegel, dat de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen niet zodanig waren dat zij dienden te leiden tot het vermoeden van een ernstig verstoorde bloedsuikerspiegel, en dat de verdachte – zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen – zich zijn handelen nog precies herinnerde. Het hof heeft niet geoordeeld dat helemaal geen sprake is geweest van een verlaagde bloedsuikerspiegel, maar het hof achtte het niet aannemelijk geworden dat de invloed van een verlaagde bloedsuikerspiegel zodanig was dat de verdachte daardoor niet in staat was in vrijheid zijn wil te bepalen.
9. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft overwogen over en wat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden omtrent verdachtes gevoelens van boosheid en frustratie jegens zijn zwager.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG