Nr. 13/01888
Zitting: 28 januari 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 maart 2013 de verdachte ter zake van
“doodslag”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts bevat het arrest nog enkele bijkomende beslissingen.
2. Namens de verdachte heeft mr. S.P.C. Wester, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelricht zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.
4. Het bestreden arrest houdt hieromtrent – met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten– het volgende in:
“
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman heeft gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd hetgeen is neergelegd in onderdeel III van zijn pleitnotities welke als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Kort en zakelijk weergegeven en voor zover van belang heeft de raadsman daartoe het navolgende aangevoerd. In een binnenzak van de jas van het slachtoffer is op 24 september 2010 een stanleymes aangetroffen dat in beslag is genomen. Op 25 september 2010 is door de unit Forensische Opsporing beslist dat aan het mes geen relevant onderzoek kon worden gedaan als gevolg van contaminatie (de jas van het slachtoffer was doordrenkt met bloed). Op 7 december 2010 is het mes teruggegeven aan de familie van het slachtoffer. De raadsman stelt zich op het standpunt dat aan het mes wel degelijk onderzoek had moeten worden verricht, omdat - aldus de raadsman - er aanwijzingen waren dat het slachtoffer het mes bij het incident had gebruikt. Bij de verdachte zijn bij zijn aanhouding verwondingen geconstateerd waarvan ten onrechte geen foto's zijn gemaakt, en in zijn woning is een doekje/tissue met niet opgedroogd bloed aangetroffen. Ook heeft de getuige [getuige 1] op 27 september 2010 tegen de buurtregisseur gezegd dat het slachtoffer bij het incident een stanleymes in zijn handen had (blz. 108), bevond zich op het snijvlak van het mes een opvallend donker spoor (foto 4 op blz. 161), en heeft tot slot de door de verdediging ingeroepen DNA-deskundige Blom gerapporteerd dat aan het mes wel degelijk succesvol een sporenonderzoek verricht had kunnen worden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat tegen de achtergrond van de hierboven bekende feiten de politie had moeten inzien dat het stanleymes mogelijk van belang was voor het onderzoek en niet aan de familie van [slachtoffer] had mogen worden teruggeven, ook al had de verdachte op dat moment zelf geen verklaring afgelegd die daartoe aanleiding gaf. Door de teruggave van het mes is nader onderzoek - dat volgens Blom zeer wel mogelijk was geweest - uitgesloten. Door de premature teruggave van het mes en door de verwondingen bij de verdachte niet fotografisch vast te leggen, is de verdediging - zo begrijpt het hof - de mogelijkheid ontnomen het beroep op noodweer(exces) nader te onderbouwen en te objectiveren. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim alsook door schending van de Aanwijzing inbeslagneming waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.
Het hof oordeelt als volgt.
Bij de beoordeling van het verweer dient te worden bezien of de beslissing geen nader onderzoek te doen aan het bewuste mes en de beslissing het beslag op dit mes op te heffen in redelijkheid kon worden genomen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt het volgende.
De op 24 september 2010 en kort daarna afgelegde getuigenverklaringen - waaronder getuigen die geen enkele band hadden met de verdachte of het slachtoffer - boden geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het slachtoffer de verdachte met een mes had bedreigd en hem met dat mes op zijn hoofd had gestoken, had gesneden of gestoken onder zijn oog en over zijn wang en meermalen de (onder) armen van de verdachte met dat mes had geraakt, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg op 25 maart 2011 heeft verklaard. Geen van de getuigen heeft gezien dat het slachtoffer vlak voordat of direct nadat hij gewond raakte en op de grond viel een (stanley)mes in de binnenzak van zijn jas heeft opgeborgen of zelfs maar een beweging naar de binnenzak van zijn jas heeft gemaakt. Verdachte heeft Anders dan de raadsman stelt gaven naar het oordeel van het hof de verwondingen van de verdachte evenmin aanleiding te veronderstellen dat het slachtoffer met een mes was verwond. Verbalisant [verbalisant 1] omschrijft deze als enkele vrij recente schaafverwondingen op zijn hoofd ter hoogte van de bovenzijde neus en voorhoofd en kleine krassen en verkleurde plekken op zijn lichaam waarvan sommige recent leken. De krasjes duidt hij bij de rechter-commissaris aan als krasjes zoals je ze krijgt als je door de bosjes loopt. Voor die verwondingen heeft de verdachte na zijn aanhouding zelf een verklaring gegeven die in geen enkel verband stond met het neersteken van [slachtoffer]. Dat er op de buitenzijde van het rugpand van het t-shirt een fragment opgedroogd bloed en op de buitenzijde van het rugpand van de trui een bloedschilfer is aangetroffen alsmede in de woning een papiertje met niet ingedroogd bloed, maakt dat niet anders. De verdachte heeft de politie hier ook niet opmerkzaam op gemaakt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de vlekken op zijn trui die zichtbaar zijn op de foto in het dossier, alle bloedvlekken zijn die op 24 september 2010 zijn ontstaan tijdens de ruzie zodat geen uitleg behoefde - zo begrijpt het hof - dat de verdachte tijdens de ruzie gewond was geraakt door een mes/steekwapen. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig gelet op hetgeen verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard; waarom zou deze immers een stukje van de trui aan de rugzijde met een vlekje van enkele millimeters hebben veiliggesteld als die trui opvallend en in ruime mate bebloed was.
Naar het oordeel van het hof was er gelet op bovenstaande op 24 september 2010 en kort daarna geen enkele aanleiding voor de politie of het openbaar ministerie rekening te houden met de mogelijkheid dat het slachtoffer tijdens de ruzie met het in de binnenzak van de jas van het slachtoffer aangetroffen stanley-/breekmes de verdachte had bedreigd en verwond. Er was geen aanleiding dit mes nader te onderzoeken op bloedsporen van de verdachte en evenmin het beslag op het mes te handhaven in het belang van de waarheidsvinding. Het enkele feit dat [getuige 1] op 27 september tegen de buurtregisseur – in afwijking van zijn eerder afgelegde verklaring – heeft gezegd dat hij had gezien dat het slachtoffer een stanleymes in zijn handen had gehad, vormde daarvoor onvoldoende aanleiding, nu deze verklaring weinig specifiek is en geen enkele steun vond in andere verklaringen.
In de periode daarna tot de teruggave van het mes op 7 december 2010 heeft de verdachte ervoor gekozen om bij de politie geen verklaring af te leggen. Dat is op zich zijn recht, maar hij heeft evenmin gevraagd nader onderzoek te doen noch zijn rechtskundig raadsvrouw daarom laten vragen. Het aanbod om - in die periode - nader te worden gehoord door de rechter-commissaris heeft de verdachte afgezien; pas op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 maart 2011 heeft de verdachte verklaard dat hij door het slachtoffer is gestoken.
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat alles afwegend niet worden gesteld dat door de teruggave van het mes gehandeld is in strijd met de aanwijzing inbeslagneming - niet alles hoeft in het belang van de waarheidsvinding te worden bewaard - zodat geen sprake is van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.
Het hof is het met de raadsman eens dat het wenselijk zou zijn geweest dat foto's van de verwondingen van de verdachte waren genomen, maar daartoe bestaat geen wettelijke verplichting. Uit de stukken zoals hierboven weergegeven blijkt dat deze verwondingen betrekkelijk oppervlakkig waren en naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet overeenkwamen met door een mes toegebrachte steek- of snij wonden. Voorts stelt het hof vast dat door de verdachte of diens rechtskundige raadsvrouw/man niet is verzocht - bijvoorbeeld de dag na verdachtes aanhouding - alsnog foto's te nemen. Bij deze stand van zaken kan de omissie naar het oordeel van het hof, ook niet in onderlinge samenhang bezien met hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, niet tot de gevolgtrekking leiden dat sprake is geweest van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan.
Nu ook geen andere omstandigheid aannemelijk is geworden die daar aan in de weg staat, wordt het openbaar ministerie ontvankelijk geacht in de vervolging.”
5. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
6. De in het middel geformuleerde motiveringsklacht komt erop neer dat er aanleiding was om het in de binnenzak van het slachtoffer aangetroffen mes op bloedsporen van de verdachte te onderzoeken. Nu dat onderzoek is nagelaten is sprake van een onherstelbaar vormverzuim en had het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten verklaren in de vervolging.
7. Het hof heeft in een uitvoerige motivering geoordeeld dat en waarom geen sprake is van een vormverzuim ten gevolge waarvan doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. De argumenten die thans in cassatie daartegen worden aangedragen zijn door het hof reeds gewogen en te licht bevonden. Dat oordeel is zeer verweven met waarderingen van feitelijke aard. Gelet op hetgeen onder 5 is vermeld getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook overigens niet onbegrijpelijk.
9. Het
tweede middelklaagt dat uit de bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan volgen.
10. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 24 september 2010 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de borst van [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
11. Die bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte - voor zover hier van belang - zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2013:
Ik heb op 24 september 2010 te Amsterdam [slachtoffer] met een mes in zijn borst gestoken.
2. Een geschrift gedateerd 18 oktober 2010, zijnde een rapportage 'Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood', opgemaakt door de bij het NFI werkzame deskundige Ann Maes, arts en patholoog.
Dit geschrift houdt in - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – als verrichtingen en bevindingen van de deskundige voornoemd: