Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
ultimum remedium. In verband met het beroep van de man op art. 588 Rv Pro (betalingsonmacht), heeft het hof overwogen dat de draagkracht van de man om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te betalen vaststaat op grond van de genoemde beschikkingen van 4 mei 2005 en 25 februari 2008 in combinatie met de omstandigheid dat de man nadien geen wijziging van alimentatie heeft verzocht. De man heeft weliswaar gesteld dat hij geen inkomsten heeft, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich deze niet zou kunnen verwerven door arbeid (rov. 3.8).
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
contractueleverplichting na te komen. Bij lijfsdwang wegens het niet nakomen van een
wettelijkeonderhoudsverplichting, is art. 1 Vierde Pro Protocol niet van toepassing [11] . Zie in gelijke zin: art. 11 IVBPR Pro [12] .
wettelijkeonderhoudsverplichting [15] . Voordien was al een verwante bepaling in de wet opgenomen [16] . In de vakliteratuur wordt wel aangenomen dat de stelplicht hier bij de schuldeiser ligt: de partij die verlof tot executie door middel van lijfsdwang verlangt zal moeten stellen welke inspanningen zij heeft verricht om tot incasso te komen [17] . De tenuitvoerlegging van de lijfsdwang duurt ter zake van dezelfde verplichting ten hoogste een jaar (art. 589 lid 1 Rv Pro). De rechter kan zijn beslissing over de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang voor een door hem te bepalen termijn aanhouden (
terme de grâce, art. 590 Rv Pro) [18] .
middel IIneemt de man tot uitgangspunt dat art. 1:10 lid 1 BW Pro bepaalt dat de woonplaats van een natuurlijke persoon zich bevindt te zijner woonstede en bij gebreke daarvan: ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Uit art. 1:11 lid 2 BW Pro volgt weliswaar dat de woonstede van een persoon wordt vermoed te zijn gelegen in de gemeente waar hij in het persoonsregister is opgenomen, maar dit vermoeden is weerlegbaar: indien duidelijke aanwijzingen bestaan dat de woonstede van een persoon niet is de plaats waar hij staat ingeschreven, dient volgens het middel de plaats van zijn werkelijk verblijf te worden aangemerkt als zijn ‘woonplaats’. Onder II.1 wordt geklaagd dat, uitgaande van het (in middelonderdeel I bedoelde) feit dat de man verblijf hield aan het adres [a-straat 1] te [plaats] en de vrouw al geruime tijd met dit adres van de man bekend was, het hof − met zijn oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op allerhande wijze heeft geprobeerd de kinderalimentatie te innen − is uitgegaan van een onjuiste, want te ruime, opvatting omtrent het subsidiariteitsbeginsel van art. 587 Rv Pro en daarmee ook art. 5 EVRM Pro heeft geschonden. De enkele vaststelling dat de man niet tot betaling is overgegaan kan het oordeel niet dragen. De aan dit oordeel mede ten grondslag gelegde overwegingen inzake het niet ingeschreven staan van de man bij het bevolkingsregister en een daaruit voortvloeiende onmogelijkheid voor het LBIO om tot inning over te gaan, geven volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘woonplaats’ in art. 440, lid 1 onder a, Rv, art. 1:10 en Pro art. 1:11 BW Pro. Onder II.2 klaagt het middel, subsidiair, dat het oordeel van het hof niet naar behoren met redenen is omkleed.