ECLI:NL:PHR:2014:2113

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2014
Publicatiedatum
21 november 2014
Zaaknummer
14/04759
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 sub f FwArt. 288 lid 2 sub d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieverzoek wegens niet-melden eerdere schuldsaneringsregeling

Verzoekster was op 17 september 2013 onderworpen aan een wettelijke schuldsaneringsregeling die op 21 juli 2014 tussentijds werd beëindigd door de rechtbank Overijssel. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deze beëindiging, omdat verzoekster niet had vermeld dat zij eerder al onder een schuldsaneringsregeling viel die zonder verlening van de schone lei was beëindigd.

Verzoekster stelde in cassatie dat het hof de reikwijdte van de relevante wetsartikelen had miskend en onvoldoende was ingegaan op haar psychische aandoening en haar stelling dat zij zelf actie had ondernomen tot beëindiging van de eerdere regeling. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof wel degelijk op deze punten was ingegaan en dat het eerdere beëindigingsvonnis onherroepelijk was.

Daarom kan het cassatieberoep niet slagen en strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieverzoek op grond van art. 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet vermelden van eerdere schuldsaneringsregeling.

Conclusie

14/04759
Mr. L. Timmerman
Zitting 31 oktober 2014
Conclusie inzake:
[verzoekster],
verzoekster tot cassatie
1. Bij vonnis van 21 juli 2014 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, die op 17 september 2013 ten aanzien van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) was uitgesproken, tussentijds beëindigd. In het door [verzoekster] hiertegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden bij arrest van 11 september 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen dat voldoende is gebleken dat de schuldsaneringsregeling reeds eerder ten aanzien van [verzoekster] van toepassing is geweest en dat deze is beëindigd zonder verlening van de schone lei en dat [verzoekster] in haar verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had moeten melden dat de schuldsaneringsregeling reeds eerder ten aanzien van haar van toepassing is geweest.
2. Namens [verzoekster] is op 19 september 2014 tijdig een cassatieverzoekschrift ingediend. Het eerste en enige onderdeel bevat de klacht dat het hof met zijn oordeel de reikwijdte van art. 288 lid Pro 2, sub d Fw jo. art. 350 lid Pro 3, sub f Fw miskent en dat zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Voornoemde wettelijke bepalingen zien op de situatie waarin de eerdere schuldsaneringsregeling destijds was beëindigd op grond van nieuw ontstane schulden die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet ingaat op de stellingen van [verzoekster] met betrekking tot haar psychiatrische aandoening en haar stelling dat het juist zij is geweest die actie heeft ondernomen richting bewindvoerder tot beëindiging van de eerdere schuldsaneringsregeling.
3. Het onderdeel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Het hof gaat namelijk wel degelijk in op de stellingen van [verzoekster] met betrekking tot haar psychische stoornis en haar stelling dat de schuldsaneringsregeling op haar eigen verzoek is beëindigd. Het hof overweegt echter dat [verzoekster] in het beroepschrift ten onrechte heeft vermeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op haar eigen verzoek is beëindigd. Het hof overweegt voorts dat het voorbijgaat aan de stelling van [verzoekster] dat gezien haar psychische stoornis zij niet verwijtbaar had gehandeld en daarom de eerdere schuldsaneringsregeling op onjuiste gronden is beëindigd. Het desbetreffende beëindigingsvonnis is (aldus het hof) onherroepelijk geworden en kan nu niet ter discussie worden gesteld. Het hof miskent hiermee voornoemde bepalingen niet en zijn oordeel is voldoende gemotiveerd.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G L. Timmerman