ECLI:NL:PHR:2014:215

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
12/05667
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Vuurwapenverordening 1930Art. 11 Vuurwapenverordening 1930Art. 49 SrNA (oud)Art. 32 SrNA (oud)Art. 33 SrNA (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen verboden wapenbezit door politieambtenaar op Curaçao

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft de verdachte veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en munitie op Curaçao. De verdachte, een politieambtenaar, overhandigde in een nachtclub een Walther PPK met zes scherpe patronen aan een medeverdachte die niet bevoegd was het wapen te bezitten.

De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van de verdachte en de medeverdachte, een proces-verbaal van verhoor, en een technisch onderzoek dat bevestigde dat het wapen en de munitie deugdelijk waren. De Hoge Raad oordeelde dat het bewezenverklaarde voldoende was onderbouwd en dat opzet op het niet gerechtigd zijn om het wapen te bezitten niet vereist is volgens de Vuurwapenverordening 1930.

De verdachte werd veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 167 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en ontzetting van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor drie jaar. Het hof motiveerde de ontzetting met het feit dat de verdachte zich ongeschikt heeft getoond voor het politieambt door het gebruik van zijn dienstwapen voor persoonlijke doeleinden. De Hoge Raad verwierp de klachten over de strafmotivering en de rechtsopvatting omtrent de ontzetting.

Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 167 voorwaardelijk, en ontzetting van het recht om politieambtenaar te zijn voor drie jaar.

Conclusie

Nr. 12/05667 A
Zitting: 28 januari 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij vonnis van 1 november 2012, behoudens ten aanzien van overwegingen omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde alsmede de strafmotivering, bevestigd het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 10 april 2012 waarbij de verdachte ter zake van 1. subsidiair “medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening juncto artikel 49 van Pro het Wetboek van Strafrecht (oud)” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 167 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts is de verdachte ontzet van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor de duur van drie jaren.
2. Namens de verdachte heeft mr. S. Inderson, advocaat te Curaçao, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 23 mei 2011, in het land Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad een vuurwapen van het merk Walther, PPK met het serienummer [001] en zes scherpe patronen 9mm.”
5. Als bewijsmiddelen zijn gebezigd:
“Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 maart 2012, inhoudende – zakelijk weergegeven -:
Het klopt dat ik op 23 mei 2011 het vuurwapen in de nachtclub heb overhandigd aan [medeverdachte] (het Gerecht begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte]);
Proces-verbaal van verhoor van verdachte[medeverdachte] (in het kader van vordering bevel tot bewaring) van 31 mei 2011, opgemaakt door mr. J.G.M. Kroeze, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, inhoudende – zakelijk weergegeven - :
[verdachte] gaf mij het wapen.
Een ambtsedig proces-verbaal van onderzoek naar de deugdelijkheid van een pistool en munitie, nummer BTRC.2011.05.23-03, opgemaakt en gesloten op 26 juli 2011 door [verbalisant], technisch rechercheur bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant - zakelijk weergegeven -:
Op 17 juni 2011 ontving ik een pistool van het merk "Walther", model PPK, kaliber 9 mm kort, voorzien van het serienummer [001] en zes scherpe patronen van het kaliber 9 mm kort die bij [medeverdachte] in beslag werden genomen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het pistool en de munitie deugdelijk waren.”
6. Het middel klaagt ten eerste dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte tijdens het overhandigen van het vuurwapen aan [medeverdachte] wist, dan wel moest weten dat die [medeverdachte] niet gerechtigd was een vuurwapen voorhanden te hebben.
7. Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld in art. 3, eerste lid, jo art. 11 van Pro de Vuurwapenverordening 1930 jo art. 49 SrNA Pro (oud).
8. Art. 3 van Pro de Vuurwapenverordening 1930 houdt, voor zover hier van belang, in:
“1. Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgend lid genoemd.
2. De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt enkel toe:
1°. aan een publiekrechtelijk lichaam;
2°. aan hem, die het wapen voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft;
3°. aan hem, die ingevolge de "Wapenverordening 1931" het wapen bij zich mag hebben;
4°. aan schietverenigingen, met volledige rechtsbevoegdheid zolang de in artikel 2a van de Wapenverordening 1931 bedoelde vergunning van kracht is, benevens aan de bij landsbesluit houdende algemene maatregelen, toegelaten weerkorpsen;
5°. aan hem, die het wapen voorhanden heeft met algemene of bijzondere machtiging van het betrokken Plaatselijk Hoofd van Politie. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt.
3. (…)
4. (…)
5. Hij, die niet bevoegd is om een vuurwapen voorhanden te hebben, is eveneens niet bevoegd om munitie voorhanden te hebben, tenzij hij ingevolge bestaande wettelijke regelingen tot dit laatste gerechtigd is.
9. Indien het middel voor ogen heeft dat het opzet van de verdachte ook gericht moet zijn op het niet gerechtigd zijn van het (samen) voorhanden hebben van een vuurwapen, stelt het een eis die het recht niet kent. Immers, in art. 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 is de wederrechtelijkheid niet als bestanddeel geformuleerd. De wet eist dus geen boos opzet. [1] Weet hebben van het samen voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie is voldoende.
10. Voorts klaagt het middel dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de zes scherpe patronen door de verdachte tezamen met het vuurwapen aan [medeverdachte] zijn overhandigd. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] op 23 mei 2011 – en dus niet op 17 juni zoals het middel doet geloven – op heterdaad is aangehouden, waarbij een vuurwapen (merk Walther, PPK met het serienummer [001]) inhoudende een patroonhouder gevuld met zes scherpe patronen in beslag is genomen. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat de bewezenverklaarde kogels zich bevonden in het op die avond overhandigde vuurwapen (waarover de verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard) geenszins onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed.
11. Het middel faalt.
12. Het
tweede middelklaagt dat het hof de aan de verdachte opgelegde bijkomende straf tot ontzetting van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden ontoereikend heeft gemotiveerd, doordat het hof heeft verzuimd vast te stellen dat het overhandigde vuurwapen een dienstwapen betrof. In het bijzonder klaagt het dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “bekleden” als bedoeld in art. 32 SrNA Pro (oud).
13. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “oplegging van straf” in:
“Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte, ten tijde van het bewezen verklaarde politieambtenaar, heeft zich in zijn vrije tijd in een nachtclub begeven terwijl hij twee vuurwapens bij zich droeg. Een van deze vuurwapens alsmede de daarbij behorende munitie heeft hij in de nachtclub overhandigd aan [medeverdachte]. [medeverdachte] is geen politieambtenaar en niet bevoegd en ook niet opgeleid om een vuurwapen te dragen of te hanteren. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen, in het bijzonder in een uitgaansgelegenheid, is een ernstig feit met een gevaarzettend karakter, hetwelk in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Het Hof houdt echter rekening met de omstandigheid dat de verdachte geen strafblad heeft en dat zijn handelwijze inmiddels tot zijn eervol ontslag als politieambtenaar heeft geleid. Om deze redenen zal het Hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Door zijn gedrag heeft de verdachte naar het oordeel van het Hof voorts ervan blijk gegeven niet geschikt te zijn voor een functie als politieagent. Het Hof ziet hierin aanleiding de verdachte te ontzetten van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 34 lid 1 aanhef Pro en onder 2 van het Wetboek van Strafrecht wat betreft de duur van deze bijkomende straf. Deze straf moet voorkomen dat de verdachte voor de duur daarvan ondanks zijn eervol ontslag wederom als politieambtenaar in dienst wordt genomen.
Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden.”
14. Art. 33 SrNA Pro (oud) luidt:
“Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken”
15. Blijkens de onder 13 weergegeven strafmotivering heeft het hof geoordeeld dat de verdachte ervan blijk heeft gegeven niet geschikt te zijn voor een functie als politieagent, doordat hij zich in zijn vrije tijd in een nachtclub heeft begeven terwijl hij twee vuurwapens bij zich droeg, en doordat hij één van deze wapens inclusief munitie aan zijn vriend heeft overhandigd. Daarmee heeft het hof, in navolging van de rechtbank, als zijn kennelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte voor persoonlijke doeleinden zijn dienstwapen heeft gebruikt en aldus een misdrijf heeft begaan, waarbij hij gebruik maakte van een middel hem door zijn ambt geschonken. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Dat beide vuurwapens van dienstwege verstrekte vuurwapens betroffen vindt bovendien bevestiging in de door de verdachte op 25 mei 2011 bij de politie afgelegde verklaring “Ik had alvast mijn legitimatiebewijs in handen genomen om mij te identificeren, doordat ik in het bezit was van mijn van dienstwege verstrekte vuurwapens de Walter P-5 en de Walter PPK”.
16. Voorts klaagt het middel over een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “bekleden” als bedoeld in art. 33 SrNA Pro (oud). Blijkens de toelichting strekt de klacht ten betoge dat, nu aan de verdachte reeds eervol ontslag is verleend het niet meer mogelijk is om hem te ontzetten van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden. Door te overwegen dat deze straf moet voorkomen dat de verdachte voor de duur daarvan ondanks zijn eervol ontslag wederom als politieambtenaar in dienst wordt genomen is het hof volgens de steller van het middel op de stoel van de uitvoerende macht gaan zitten.
17. Ik begrijp het oordeel van het hof aldus dat het de verdachte gedurende de duur van drie jaren niet is toegestaan om het ambt van politiefunctionaris te bekleden. Dat aan de verdachte op het moment van de beslissing van het hof reeds eervol ontslag is verleend, wil nog niet zeggen dat hij niet op enig moment weer in dienst genomen kan worden, is kennelijk de gedachte bij het hof geweest. Ik vermag niet in te zien dat het hof daar geen stokje voor mag steken door aan de verdachte vorenbedoelde bijkomende straf op te leggen. Van een nieuwe indiensttreding bij de politie zal het dan – in ieder geval gedurende drie jaren – niet meer komen. Van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “bekleden” is m.i. geen sprake.
18. Het middel faalt.
19. Het derde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd art. 46 SrNA Pro (oud) aan te halen als wettelijk voorschrift waarop de straf mede berust.
20. Art. 46 SrNA Pro (oud) bepaalt dat indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht schendt of bij het begaan van het strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, de straf met een derde
kanworden verhoogd.
21. Nu de voor het bewezenverklaarde maximaal mogelijke gevangenisstraf van vier jaren niet is bereikt en uit ’s hofs strafmotivering evenmin valt op te maken dat het hof toepassing heeft willen geven aan art. 46 SrNA Pro (oud), faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
22. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, HR 18 maart 1952,