Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft de verdachte veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en munitie op Curaçao. De verdachte, een politieambtenaar, overhandigde in een nachtclub een Walther PPK met zes scherpe patronen aan een medeverdachte die niet bevoegd was het wapen te bezitten.
De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van de verdachte en de medeverdachte, een proces-verbaal van verhoor, en een technisch onderzoek dat bevestigde dat het wapen en de munitie deugdelijk waren. De Hoge Raad oordeelde dat het bewezenverklaarde voldoende was onderbouwd en dat opzet op het niet gerechtigd zijn om het wapen te bezitten niet vereist is volgens de Vuurwapenverordening 1930.
De verdachte werd veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 167 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en ontzetting van het recht om het ambt van politieambtenaar te bekleden voor drie jaar. Het hof motiveerde de ontzetting met het feit dat de verdachte zich ongeschikt heeft getoond voor het politieambt door het gebruik van zijn dienstwapen voor persoonlijke doeleinden. De Hoge Raad verwierp de klachten over de strafmotivering en de rechtsopvatting omtrent de ontzetting.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.