ECLI:NL:PHR:2014:2169

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2014
Publicatiedatum
25 november 2014
Zaaknummer
14/01759
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552b SvArt. 552b.2 SvArt. 83 ROArt. 94 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beslag op geldbedrag en teruggaveverzoek in strafzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant het klaagschrift van klaagster tot teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 2.640,- ongegrond verklaard. Klaagster stelde dat het geld spaargeld betrof dat haar toebehoorde, maar de rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzette vanwege onduidelijkheid over de herkomst van het geld en de schulden van klaagster.

De Hoge Raad heeft in cassatie overwogen dat de rechtbank de juiste toetsingsmaatstaf, namelijk artikel 94 Sv Pro, heeft toegepast. Hoewel de rechtbank niet expliciet de grondslag van het beslag heeft vastgesteld, blijkt uit de stukken dat het ging om beslag op grond van artikel 94 Sv Pro. De rechtbank heeft het belang van strafvordering als zwaarwegend aangemerkt en dit oordeel is in cassatie slechts marginaal toetsbaar.

De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het klaagschrift terecht ongegrond is verklaard. Bovendien is vastgesteld dat het geldbedrag onherroepelijk is verbeurdverklaard, waardoor het klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv moet worden opgevat en de stukken naar het bevoegde gerecht worden gezonden.

Uitkomst: Het klaagschrift tot teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag is ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 14/01759 B
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[klaagster]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 januari 2014 het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 2.640,- ongegrond verklaard.
2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
middelbehelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet de grondslag van het beslag heeft vastgesteld waardoor niet kan worden beoordeeld of zij de juiste maatstaf heeft toegepast, althans dat zij de ongegrondverklaring van het beklag ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Inleiding

(…)
De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven nu het, gelet op haar financiële situatie, niet duidelijk is of dit geld aan klaagster toebehoort en tevens ten behoeve van een te verwachte verbeurdverklaring in de strafzaak tegen [betrokkene].

De beoordeling

(…)
De raadsman stelt zich op het standpunt dat voornoemde geldbedrag spaargeld betreft dat aan klaagster toebehoort, gelet op het patroon van de geldopnames door cliënt en het feit dat zij direct na de inbeslagname concreet de hoogte van het bedrag en de locatie ervan heeft aangegeven.
De rechter is van oordeel, gelet op het feit dat klaagster schulden heeft en het niet duidelijk is waar het geld vandaan komt, dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave, nu het naar haar oordeel niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend in de strafzaak tegen [betrokkene], het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.”
3.3.
Het middel heeft een punt daar waar het klaagt dat de Rechtbank niet expliciet heeft vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Echter, uit de overwegingen van de Rechtbank kan duidelijk worden afgeleid dat zij de toetsingsmaatstaf ex art. 94 Sv Pro heeft aangelegd. Dat de Rechtbank er vanuit is gegaan dat onder klaagster op basis van art. 94 Sv Pro beslag is gelegd, is niet onbegrijpelijk. Immers, uit de stukken van het geding, zoals de kennisgeving van inbeslagneming [1] en de conclusie OM van 13 januari 2014 blijkt evident dat het gaat om beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv Pro. [2] In feitelijke aanleg was dit kennelijk ook voor alle partijen duidelijk, deze kwestie is immers niet tijdens de behandeling in raadkamer aan de orde gesteld. In cassatie kan er aldus van worden uitgegaan dat het hier om een ex art. 94 Sv Pro gelegd beslag gaat.
3.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich in casu verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster. Daarbij heeft de Rechtbank klaarblijkelijk in aanmerking genomen hetgeen door de Officier van Justitie in raadkamer naar voren is gebracht, aangezien zij aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd het feit dat klaagster schulden heeft en dat het niet duidelijk is geworden waar het geld vandaan komt. Met die overwegingen heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding het voortduren van het beslag vordert. Aldus verstaan heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd voor beslag ex art. 94 Sv Pro en deze niet onbegrijpelijk toegepast. Het oordeel van de Rechtbank, dat afhankelijk is van waarderingen en vaststellingen van feitelijke aard en in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, óók gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer is aangevoerd. Tot een nadere motivering was de Rechtbank, anders dan de steller van het middel wil, niet gehouden. Nu dat oordeel de beslissing van de Rechtbank dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard zelfstandig kan dragen, behoeft de klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat ‘het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend (…), het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren’ ontoereikend heeft gemotiveerd, geen bespreking. [3]
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de kennisgeving van inbeslagneming, met registratienummer PL2208-2013118974-7, dossier p. 000009.
2.Ik teken aan dat de steller van het middel in zijn cassatieschriftuur zelf opmerkt dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat het geld conservatoir in beslag is genomen.
3.Vgl. HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8764.