Conclusie
1.Feiten en procesverloop
AANVULLENDE OVEREENKOMST
Naast bovengenoemde bedrijventerreinen wordt voor de periode na 2030 ruimte gereserveerd aan de ’s-Gravendamseweg Oost.” [5]
toev. A-G) versie (hierna: ISG-oud) waren de percelen aangewezen als
“uitbreiding duurzaam bedrijventerrein”binnen de tijdshorizon tot 2030. [6] In de uiteindelijke ISG zijn de percelen dus opgenomen als ruimtereservering bedrijventerrein voor
na2030.
mogelijkheidom ‘de percelen’ in de toekomst als zodanig te bestemmen. Deze mogelijkheid is een beduidend zwakkere variant van de overeengekomen ‘aanwijzing’. Weliswaar heeft men, zoals [eiser] betoogt, ook in het geval van een ‘aanwijzing’ binnen de planperiode geen zekerheid dat daadwerkelijk de bedrijfsgebouwdoeleinden worden gerealiseerd, maar zijn stelling dat er in geval van een ‘aanwijzing’ enkel sprake is van een ‘spoorboekje’ voor het geval de gemeente bestemmingsplannen maakt, doet geen recht aan de juridische systematiek. Een ‘aanwijzing’ in de structuurvisie vormt immers een afdoende ruimtelijke onderbouwing voor vergunningverlening. Dit betekent dat ‘een aanwijzing voor bedrijfsdoeleinden’ een tamelijk zekere bouwtitel geeft, die bij de onderhavige ruimtereservering ontbreekt. Dit gold zeker onder het oude recht van 2007, maar geldt nog steeds onder het nieuwe recht.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Klachten 12-17 en 26-27: verwerping bewijsaanbod [eiser]
onder 12-17 en 26-27, gelezen in verband met cassatiedagvaarding nrs. 33-38 en s.t. nrs. 7-10, komen er in de kern op neer dat het hof niet (zonder meer) voorbij had mogen gaan aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod. [eiser] betoogt dat op Ballast Nedam de bewijslast rust van haar stelling dat zij onverschuldigd betaald heeft, en dat het bewijsaanbod van [eiser] dus een aanbod tot het leveren van tegenbewijs betreft. Volgens de klachten zou het hof in rov. 10 hebben miskend dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet gespecificeerd behoeft te zijn, te hoge eisen hebben gesteld aan een aanbod tot tegenbewijs en/of een ontoelaatbare prognose omtrent de levering van tegenbewijs hebben gemaakt.
uitlegvan art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (rov. 6). In dat kader diende het hof in te gaan op de door ieder van partijen ter adstructie van de door haar voorgestane uitleg aangevoerde factoren. Voor bewijslevering was plaats indien en voor zover door een partij aangevoerde relevante feiten door de andere partij zouden worden betwist. Het hof is op basis van een aantal door Ballast Nedam aangedragen factoren (tekst van art 1.1, systematiek van oud en nieuw ruimtelijke ordeningsrecht, contractuele context van art. 1.1) tot het oordeel gekomen dat art. 1.1 in de door Ballast Nedam verdedigde zin moet worden uitgelegd en heeft de andersluidende uitleg van [eiser], die eveneens was gebaseerd op de systematiek van het ruimtelijke ordeningsrecht, verworpen.
geen grond[is]
, nu geen relevante feiten te bewijzen zijn aangeboden”, welke verwerping op haar beurt kennelijk betrekking heeft op het algemene bewijsaanbod van [eiser] in zijn mvg nr. 9 [16] , luidend:
[eiser] biedt bewijs aan van zijn posita in het bijzonder middels getuigen. Als zodanig kunnen gehoord worden:
makelaar [betrokkene];
medewerkers van BNS;
[eiser];
ambtenaren van de Gemeente Noordwijkerhout zoals onder meer de heer Meijvogel die alles over de Structuurvisie kan aangeven;”
niet relevant is. Voor zover de klachten rusten op het uitgangspunt dat het hof het tegenbewijsaanbod als onvoldoende specifiek heeft gepasseerd en/of een verboden prognose heeft gemaakt, missen zij dus feitelijke grondslag. Ook heeft het hof niet te hoge eisen gesteld aan het (tegen)bewijsaanbod. [17]
onder 18-23 en 26-27zijn in hoofdzaak gericht tegen rov. 7 voor zover luidend:
eersteplaats, zo begrijp ik, dat het hof heeft miskend dat de uitleg van de aanvullende overeenkomst moet geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf en dat in dat kader de uitvoering van de overeenkomst – de betaling door Ballast Nedam – mede een omstandigheid kan zijn die van belang is (cassatiedagvaarding nrs. 19-21 i.v.m. 42; s.t. nr. 11). [20]
vermoedenmoet worden afgeleid dat de overeenkomst op grond waarvan de betaling plaatsvindt aldus moet worden uitgelegd dat die betaling ook daadwerkelijk verschuldigd is. Een zodanige regel vindt inderdaad geen steun in het recht, zoals het hof met juistheid heeft beslist. Daarmee heeft het hof de in het middel genoemde rechtspraak geenszins miskend.
tweedeplaats wordt met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen de verwerping van de stelling van [eiser] dat Ballast Nedam met de betaling heeft
erkend [22] dat was voldaan aan het bepaalde in art. 1.1 van de aanvullende overeenkomst (cassatiedagvaarding nrs. 18, 22 en 23 i.v.m. nrs. 41-44). Ook deze klachten treffen geen doel.
feitelijkgeen sprake was van erkenning, nu Ballast Nedam steeds heeft gezegd dat de betaling op een vergissing berustte. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan de verwerping van de stelling van [eiser] zelfstandig dragen.
juridischebetekenis is van de vermeende erkenning. De daartegen gerichte klachten falen reeds bij gebrek aan belang. Zij zijn ook overigens tevergeefs voorgesteld, nu het hof kennelijk en terecht tot uitdrukking heeft gebracht dat een buitengerechtelijke erkenning vrije bewijskracht heeft [23] en [eiser] in dat kader noch anderszins heeft aangegeven welke rol die erkenning rechtens bij de beoordeling van de vordering zou moeten spelen.
onder 24wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] gehouden is het ontvangene als onverschuldigd ontvangen terug te geven aan Ballast Nedam.