ECLI:NL:PHR:2014:2201

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2014
Publicatiedatum
1 december 2014
Zaaknummer
13/03761
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tenlastelegging rijden onder invloed beginnend bestuurder volgens art. 8 WVW 1994

In deze zaak stond de uitleg van de tenlastelegging centraal, waarin verdachte werd verweten als beginnend bestuurder een motorrijtuig te hebben bestuurd onder invloed van alcohol met een ademalcoholgehalte hoger dan 88 microgram per liter. De tenlastelegging was toegespitst op artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, dat een lagere alcohollimiet hanteert voor beginnende bestuurders.

De verdediging stelde dat de tenlastelegging impliciet ook subsidiair de overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994 omvatte, met een hogere alcohollimiet, en dat het hof ten onrechte de grondslag van de tenlastelegging zou hebben verlaten door verdachte vrij te spreken. De Hoge Raad oordeelde dat de uitleg van de tenlastelegging aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof de tenlastelegging juist heeft geïnterpreteerd als uitsluitend gericht op de overtreding voor beginnende bestuurders.

Het hof heeft daarmee niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging geoordeeld en heeft de grondslag niet verlaten. De Hoge Raad bevestigt dat het hof verdachte niet vrijsprak van iets anders dan wat ten laste was gelegd. De conclusie van de advocaat-generaal was dat het beroep verworpen moet worden. De zaak benadrukt het belang van duidelijke en expliciete tenlasteleggingen bij cumulatieve of subsidiaire feiten.

De uitspraak geeft tevens inzicht in de interpretatie van de wettelijke bepalingen omtrent rijden onder invloed voor beginnende bestuurders en de grenzen van cassatie bij de uitleg van de tenlastelegging.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht verdachte vrijsprak omdat hij geen beginnend bestuurder was en het hof de grondslag van de tenlastelegging niet heeft verlaten.

Conclusie

Nr. 13/03761
Zitting: 7 oktober 2014
Mr. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 17 juli 2013 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van de verdenking dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.
Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het hof, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat het hof verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan was ten laste gelegd en dus de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
“hij op of omstreeks 18 april 2011 te Leidschendam en/of Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl sedert de datum waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden”.
5. Deze tenlastelegging is toegesneden op art. 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, dat ten tijde van het ten laste gelegde, voor zover relevant, luidde als volgt:
“1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen (…) terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen (…) na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (…).
3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken (…) en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, verboden dat motorrijtuig te besturen (…) na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht”.
6. De in het dossier aanwezige aantekening van het mondeling arrest vermeldt als beslissing van het hof:
“Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.”
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 juli 2013 houdt , voor zover relevant, het volgende in:
“De advocaat-generaal deelt mede dat hij geen beroep doet op de strafverzwarende omstandigheid van beginnend bestuurder, zoals vermeld in de tenlastelegging. (…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging. Zij deelt mede dat haar cliënt sinds 1963 een rijbewijs heeft en dat hij geen beginnend bestuurder is. Dat deel van de tenlastelegging kan niet zomaar weggestreept worden. (…)
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof – na kort onderling beraad – terstond uitspraak.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit. Zij overweegt daartoe dat nu op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast is komen te staan dat verdachte geen beginnend bestuurder is, het, mede gelet op de cumulatieve eisen ten aanzien van de beginnend bestuurder zoals die in artikel 8 lid 3 Wegenverkeerswet Pro 1994 zijn vastgelegd en aan verdachte ten laste gelegd – anders dan door de advocaat-generaal voorgesteld – zonder af te wijken van de tenlastelegging niet mogelijk is het tekstgedeelte door te halen waarin zich die eisen gesteld aan een beginnend bestuurder bevinden.”
8. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, het feit dat verdachte geen beginnend bestuurder was niet in de weg hoefde te staan aan bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de steller van het middel kan de tekst van de tenlastelegging namelijk bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een impliciet primair-subsidiaire tenlastelegging:
“in die zin dat primair de verdachte wordt verweten dat hij '540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht heeft geblazen en subsidiair in ieder geval 'hoger dan 88 microgram'. Dit houdt in primair de cumulatie van lid 2 en lid 3 en subsidiair alleen lid 3. Het primair ten laste gelegde behelst dus samenloop van beide categorieën. Het primair ten laste gelegde is dus in zichzelf impliciet cumulatief. In een dergelijk geval kan de niet bewezen geachte categorie worden 'uitgestreept' en de andere categorie, die door dit uitstrepen niet van karakter verandert, worden bewezenverklaard.”
9. De stelling dat aan verdachte primair “de cumulatie van lid 2 en lid 3” en subsidiair “alleen lid 3” is ten laste gelegd, kan ik niet goed plaatsen. Ik kan mij niet voorstellen dat de steller van de tenlastelegging beoogd heeft de onder art. 8 WVW Pro 1994 in lid 2 en lid 3 geformuleerde verwijten cumulatief ten laste te leggen. Gelet op de afsluitende opmerking in de schriftuur dat onduidelijkheid bestaat in de feitenrechtspraak over de vraag of in een op art. 8, derde lid, WVW 1994 toegespitste tenlastelegging zodanig kan worden ‘gestreept’ dat het in art. 8, tweede lid, WVW 1994 gemaakte verwijt resteert, ga ik ervan uit dat is bedoeld dat de tenlastelegging in de onderhavige zaak als een impliciet subsidiaire tenlastelegging zou moeten worden aangemerkt die primair inhoudt dat verdachte zich als beginnend bestuurder, zoals voorzien in art. 8, derde lid, WVW 1994, heeft schuldig gemaakt aan rijden onder invloed en subsidiair, voor het geval niet kan worden bewezen dat verdachte een beginnend bestuurder is, dat sprake is van de situatie van art. 8, tweede lid, WVW 1994. Deze subsidiaire variant is echter ook niet impliciet in tenlastelegging te lezen door een formulering waaruit de subsidiaire variant zou moeten blijken, bijvoorbeeld door gebruik van het woord “althans”. Naar mijn mening heeft de steller van de tenlastelegging exclusief het oog gehad op het verwijt van art. 8 lid 3 WVW Pro 1994 en niet tevens subsidiair op hetgeen onder het tweede lid is strafbaar gesteld.
10. Wat hiervan ook zij, vooropgesteld moet worden dat de interpretatie van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en dat zijn oordeel in cassatie slechts marginaal wordt getoetst. De Hoge Raad grijpt alleen in als de uitleg van de tenlastelegging niet verenigbaar is met haar strekking of bewoordingen of anderszins onbegrijpelijk is. [1]
11. Het hof heeft de tenlastelegging duidelijk niet opgevat als een impliciet subsidiaire tenlastelegging, maar heeft deze zo gelezen dat verdachte daarin uitsluitend wordt verweten dat hij zich als beginnend bestuurder heeft schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Met andere woorden ten laste gelegd is volgens het hof de apart in de wet geregelde strafbaarstelling van art. 8, derde lid, WVW1994, waarvoor expliciet afwijkende eisen gelden van de strafbaarstelling in het tweede lid. Aangezien de tekst van de tenlastelegging volledig lijkt te zijn ontleend aan art. 8, derde lid, WVW 1994, is deze uitleg van de tenlastelegging, en het daarmee samenhangende oordeel dat geen ruimte bestaat voor het ‘uitstrepen’ van de tenlastelegging opdat de situatie van art. 8, tweede lid, WVW 1994 overblijft, niet onverenigbaar met haar bewoordingen of volkomen onbegrijpelijk. De interpretatie van de tenlastelegging door het hof moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande, heeft het hof verdachte niet vrijgesproken van iets anders dan was ten laste gelegd en heeft het de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. Hierop stuit het middel af.
12. Uit de toelichting op het middel begrijp ik dat dit wordt opgeworpen, omdat door rechtbanken en gerechtshoven verschillend wordt gedacht over de vraag of in een op artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 toegespitste tenlastelegging zodanig kan worden "gestreept" dat het in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 resteert. Specifieke uitspraken waaruit deze verschillende opvattingen blijken, worden in de schriftuur niet aangehaald. Er wordt alleen verwezen naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 december 2012, waarin in een vergelijkbare zaak het hof eveneens tot een integrale vrijspraak kwam. Het belang van het Openbaar Ministerie bij een uitspraak van de Hoge Raad is volgens de steller van het middel gelegen in het verkrijgen van duidelijkheid hieromtrent. Wat mij betreft is de meest voor de hand liggende oplossing dat het OM in de tenlasteleggingen in zaken zoals deze expliciet primair overtreding van art. 8 lid 3 WVW Pro 1994 ten laste legt en subsidiair art. 8 lid 2 WVW Pro 1994.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.A.J.A. van Dorst, “Cassatie in strafzaken”, zevende druk 2012, p. 214.