Conclusie
middelklaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door uitkeringsfraude verkregen geld.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld, namelijk een uitkering verkregen door fraude met de Wet werk en bijstand. De rechtbank en het hof hadden vastgesteld dat verdachte en betrokkene een duurzame gezamenlijke huishouding voerden en dat het geld van de uitkering geheel werd besteed aan het huishouden.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat verdachte wist dat betrokkene onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt om de uitkering te verkrijgen. Hoewel verdachte wist van de uitkering en het gebruik ervan binnen het huishouden, ontbrak het aan bewijs voor het vereiste opzet op het voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van vijf maanden wordt daarmee opgeheven. De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat het hof en de rechtbank onvoldoende hebben gemotiveerd waarom verdachte kennis zou hebben gehad van de fraude, mede gelet op de hulp die betrokkene soms kreeg bij het invullen van formulieren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de veroordeling wegens ontbreken van bewijs voor opzet bij voordeel uit uitkeringsfraude en wijst de zaak terug.