Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Geding voor de Rechtbank
de kansop een gebrek voldoende is om artikel 145, lid 2, onder a, UCDW toe te passen beantwoordt de Rechtbank ontkennend:
4.Het geding in cassatie
kansop een gebrek nog geen gebrek is in de zin van onderdeel a, van die bepaling.
5.Strijd tussen verordening en uitvoeringsverordening: voorrangsregeling
de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek’ worden vastgesteld door de Commissie volgens de in lid 2 en lid 3 van artikel 249 van Pro het CDW omschreven procedure. Bij deze procedure zijn in beginsel slechts het Comité douanewetboek en de Commissie betrokken. In de terminologie van artikel 289, lid 2 en 290 VWEU zou de UCDW een niet-wetgevingshandeling zijn (want niet volgens de wetgevingsprocedure van het Verdrag vastgesteld).
zodat een in algemene termen geformuleerde bepaling daartoe een toereikende machtigingsgrondslag biedt(…).
ter uitvoeringvan’ het CDW, aangeeft, beoogt zij uitvoering te geven aan het CDW, waarmee ook gegeven is dat het CDW het karakter van ‘basisverordening’ heeft. De voorrang van het CDW lijkt mij daarmee een gegeven. Zonder CDW heeft de UCDW immers geen bestaansrecht.
uitvoeringsverordening vloeit mijns inziens reeds voort dat de bepalingen daarin in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het CDW. Of, zoals De Witte [30] het uitdrukt (mijn cursivering):
the implementing regulation must be in conformity with the basic regulation,and there is in fact a hierarchy between two legal instruments which have the same nomination
:not exactly a model of transparency (…)”
alle noodzakelijke of nuttige toepassingsbepalingenkan vaststellen voor de uitvoering van de basisverordening,
mits zij niet in strijd zijn met de basisverordeningzelf (…).
dat artikel 204 noch Pro enige andere bepaling van het douanewetboek zich ertegen verzet, dat de Commissie een uitputtende regeling vaststeltinzake de verzuimen die “zonder werkelijke gevolgen zijn gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling”,
zodat de bij artikel 859 van Pro de toepassingsbepalingen ingevoerde uitputtende regeling niet in strijd is met het douanewetboek.
eenvormige toepassing van dit wetboek te waarborgen” in de lidstaten, door in een bijzondere procedure te voorzien die het mogelijk maakt binnen een passende termijn de toepassingsbepalingen vast te stellen, en anderzijds ervoor te zorgen dat “bij het vaststellen van de uitvoeringsmaatregelen” van het douanewetboek, zo veel mogelijk wordt gelet “op de voorkoming van fraude en onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen”.
Gelet op deze doelstellingen en op de noodzaak de gelijkheid van behandeling van alle marktdeelnemers in alle lidstatente verwezenlijken, moet artikel 859 van Pro de toepassingsbepalingen,
dat de uniforme toepassing van een bepaling van het douanewetboek in alle lidstaten verzekert, niet alleen worden beschouwd als nuttig, doch ook als noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van de basisverordening.”
Commissieom,
in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij beschiktom de maatregelen vast te stellen
die noodzakelijk zijn voor de toepassing van het communautair douanewetboek, (…) bepalingen van algemene aard vast te stellen die
in het belang van de rechtszekerheidduurzaam rekening houden met de globale situatie van een industriesector en die nadien niet kunnen worden aangetast door de bijzondere situatie op een bepaald tijdstip van deze of gene onderneming in die sector (…).
het vereiste van uniforme toepassingvan de douanevoorschriften op het gehele douanegebied van de Gemeenschap dat de abstracte begrippen “laatste ingrijpende verwerking of bewerking”, waarnaar artikel 24 van Pro het communautair douanewetboek voor alle goederen verwijst, voor specifieke producten, (…) nader worden omschreven in bijzondere bepalingen waarin rekening kan worden gehouden met de verscheidenheid van de fabricageprocedés van deze toestellen. Derhalve geeft
de toepassing van een duidelijk en objectief criterium, zoals dat van de toegevoegde waarde, aan de hand waarvan voor dit type goederen met een complexe samenstelling kan worden uitgedrukt waarin de ingrijpende verwerking bestaat die de oorsprong daaraan verleent,
geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting(…).”
geldigheid van een gemeenschapshandelingen, indien zij menen dat de door partijen aangevoerde middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, deze verwerpen door
vast te stellen dat de handeling ten volle geldig is. (…)”
niet bevoegd, handelingen van de Gemeenschapsinstellingen ongeldig te verklaren.
Artikel 29, lid 1 en 3, en 236 artikel van het CDW en artikel 145, lid 2 en lid 3, van de UCDW
transactiewaardevan die goederen, dat wil zeggen de voor de
goederen werkelijk betaalde of te betalen prijsindien zij voor uitvoer naar het douanegebied worden verkocht, (….)”
betalingdie door de koper aan de verkoper (…) voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en
omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, (…) door de koper (…)
werkelijk zijn of moeten worden gedaan. (…)”
een rechtvaardig, eenvormig en neutraal systeem voor het bepalen van de douanewaarde van goederen dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit;
transactiewaardedient te zijn van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald;
de douanewaarde op eenvoudige en billijke, met de handelspraktijk verenigbare grondslagen dient te berustenen dat de methoden voor het bepalen van de waarde van algemene toepassing moeten zijn, ongeacht de herkomst van de goederen;
beoogt een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit(arresten van 6 juni 1990, Unifert, C-11/89, Jurispr. blz. I-2275, punt 35; 19 oktober 2000, Sommer, C-15/99, Jurispr. blz. I-8989, punt 25, en 16 november 2006, Compaq Computer International Corporation, C-306/04, Jurispr. blz. I-10991, punt 30).
maar een, zo nodig, eventueel aan te passen gegeven is om te voorkomen dat een arbitraire of fictieve douanewaarde wordt vastgesteld(arrest van 19 maart 2009, Mitsui & Co. Deutschland, C‑256/07, Jurispr. blz. I-1951, punt 24).
de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en rekening houden met alle bestanddelen van dit goed die een economische waarde vormen(arrest Compaq Computer International Corporation, reeds aangehaald, punt 30, en arrest van 15 juli 2010, Gaston Schul, C-354/09, Jurispr. blz. I-7449, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.”
dient te worden uitgegaan van de staat waarin het goed zich bevindt bij binnenkomst in de Gemeenschap.”
overeengekomen prijs worden gewijzigd teneinde rekening te houden met het feit dat deze goederen gebreken vertoonden.
passende voorzorgsmaatregelenen
redelijke termijnen.”
de goederen op het in artikel 67 van Pro het Wetboek bedoelde tijdstip gebreken vertoonden’.
defectiveat the moment referred to by Article 67 of the Code;”
étaient défectueusesau moment visé à l'article 67 du code;”
defectuosasen el momento mencionado en el artículo 67 del código;”
hetzij wegens een fabricagefout.”
binnende Gemeenschap plaatshebbende overeenkomstige verrichtingen niet eveneens van heffingen vrijgesteld zouden blijven. Deze overweging sluit eveneens aan bij de zienswijze dat in de contractuele context de aangegeven waarde voor de oorspronkelijk ingevoerde goederen – indien deze in alle andere opzichten acceptabel is - een prijselement omvat dat betrekking heeft op de kosten van de eventueel in het land van invoer onder garantie uit te voeren verrichtingen. Bedoelde relevante reparatiekosten kunnen in deze context aanleiding geven tot een aanpassing van de aangegeven waarde in die zin dat geheven rechten worden terugbetaald.
aangezien dit uitsluitend betrekking heeft op voertuigen die daadwerkelijk gebreken vertonen.”
Indien na de datum waarop een voertuig is ingevoerd blijktdat dit voertuig
op het tijdstip van de invoer ervan gebreken vertoonde, is de werkelijke economische waarde ervan, zoals de advocaat-generaal in punt 21 [54] van zijn conclusie heeft opgemerkt,
lager dan de transactiewaarde die is opgegeven op het tijdstip waarop het in het vrije verkeer is gebracht.
indien deze wijziging binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen is geschied.”
de prijsin verband met gebreken aan het goed, moet aanpassen, wil die aanpassing leiden tot een vermindering van de in aanmerking te nemen douanewaarde. Die aanpassing houdt in een terugbetaling door de verkoper aan de koper, waarna in het verlengde daarvan een terugbetaling (of kwijtschelding) van douanerechten plaatsvindt. Die laatste terugbetaling wordt geregeerd door de artikelen 236 en verder van het CDW.